The New York Review of Books

Van regenworm tot octopus, ook de ‘lagere’ diersoorten beschikken over een zenuwstelsel, hebben een leervermogen en zoiets als een wil of een bewustzijn.

Het laatste boek van Charles Darwin, verschenen in 1881, was een studie naar de nietige regenworm. Het hoofdthema – zoals al blijkt uit de titel, The Formation of Vegetable Mould through the Action of Worms – was het formidabele vermogen van wormen om in de loop van miljoenen jaren in grote aantallen de bodem om te ploegen en het aanzien van de aarde te veranderen. Maar de eerste hoofdstukken gaan simpelweg over de ‘gewoonten’ van de diertjes.

Wormen kunnen licht en donker onderscheiden en blijven overdag meestal onder de grond, op veilige afstand van hun vijanden. Ze hebben geen oren en kunnen dus geen luchttrillingen horen, maar zijn des te gevoeliger voor trillingen van de bodem, zoals de voetstappen van naderende dieren. Al die prikkels, zo noteerde Darwin, worden overgebracht naar groepjes zenuwcellen (die hij de ‘hersenganglia’ noemde) in de kop van de worm.

‘Als er plotseling licht op een worm valt’, aldus Darwin, ‘schiet hij als een konijn zijn holletje in.’ Hij schreef dat hij aanvankelijk geneigd was ‘die handeling als een reflex te beschouwen’, maar later merkte dat het geen vast patroon was: als een worm bijvoorbeeld iets aan het doen was, vluchtte hij niet voor het plotselinge licht.

Volgens Darwin duidde dat vermogen om verschillend te reageren op ‘de aanwezigheid van een soort wil’. Ook schreef hij over het ‘geestelijk vermogen’ van wormen die hun holletjes dichtstopten: ‘Als wormen in staat zijn om te beoordelen hoe ze een voorwerp dat ze naar de ingang van hun holletje hebben gesleept het beste naar binnen kunnen trekken, dan moeten ze zich enigszins hebben vergewist van de vorm.’ Om die reden vond hij dat wormen ‘met recht intelligent kunnen worden genoemd, want ze gedragen zich dan bijna net zo als een mens in een vergelijkbare situatie’.