The Boston Globe

Met zijn zelfbedachte ‘bots’ wil Darius Kazemi chaos op het internet creëren door het voorspelbare gedrag van de mens te verstoren. Zijn theorie: wij gedragen ons als robots, en hebben robots nodig om onze vrijheid terug te geven.

In de recente Spike Jonze-film Her koopt een eenzame man een futuristisch computerprogramma, speciaal gemaakt om zo natuurlijk mogelijk met mensen om te gaan. Het programma spreekt hem op intieme wijze toe, door een koptelefoon, sorteert zijn e-mails en houdt zijn agenda bij. Hij wordt er verliefd op. Het is schokkend om dat te zien gebeuren – je kunt bijna voelen hoe goed het programma inwerkt op de menselijke protagonist, hoe diep deze gecomputeriseerde, onstoffelijke simulatie van een vrouw hem raakt.

Het softwareprogramma dat het hart van Her vormt, bestaat alleen binnen een sciencefictioncontext op een moment in de toekomst dat prettig vaag wordt gehouden. Hoewel de hedendaagse smartphones en computers ook met hun gebruikers ‘praten’, ontberen ze de emotioneel krachtige en enigszins onvoorspelbare kwaliteiten die een machine menselijk kunnen doen lijken.

Toch zijn geautomatiseerde wezens met precies deze kwaliteiten al wel opgedoken. De afgelopen jaren zijn door kleine computerprogramma’s grapjes verteld en gedichten geschreven, en ook is het nieuws becommentarieerd, is er geklaagd en onbeholpen geflirt – op het web en via Twitter, waar hun berichtjes bestaan naast die van de op koolstof gebaseerde levensvormen die hun capriolen ‘liken’.

Een van de productiefste makers van deze kleine programmaatjes – of ‘bots’, zoals ze genoemd worden – is de dertigjarige Darius Kazemi, een computerprogrammeur uit Somerville die bij het technologiebedrijf Bocoup werkt. In zijn vrije tijd wijdt hij zich volledig aan de autonome digitale wezens die hij heeft geschapen.

De kans is groot dat u nog nooit van Kazemi hebt gehoord. Toch is hij de afgelopen twee jaar uitgegroeid tot een van de meest gevolgde, baanbrekende figuren op het snijvlak van technologie, cultuurkritiek en iets wat aanvoelt als een nieuw soort ‘internetkunst’. De Twitterbots van Kazemi – evenals de interactieve websites, spelletjes en eenvoudige computerprogramma’s – blijven de fans maar vermaken, doordat ze spelen met de algoritmes die onze wereld steeds vaker besturen. Een van Kazemi’s projecten, Professor Jocular, zoekt naar commentaren die mensen op Twitter hebben gezet en probeert op onhandige wijze uit te leggen wat daar grappig aan is, zelfs als er niets grappig aan is. Een ander project genereert een gestage stroom klungelige versiertrucs. Weer een ander vist uit een publieke database de laatste woorden die veroordeelde misdadigers in Texas hebben uitgesproken, en toont zinnetjes waarin gevangenen op de drempel van de dood het woord ‘liefde’ hebben gebruikt.

Maar het fraaiste wat Kazemi tot nu toe heeft voortgebracht, zou wel eens het programma kunnen zijn waarmee je voor 50 dollar aan volstrekt willekeurige boeken, cd’s en dvd’s kunt bestellen bij Amazon, en deze thuis laten bezorgen. Met Kerstmis verkocht hij een aantal ‘prints’ van dit programma, zodat zijn fans hun eigen willekeurig gekozen geschenken konden ontvangen.

Nieuwe genre

De tientallen projecten van Kazemi hebben hem zo’n breed scala aan bewonderaars opgeleverd, dat het lijkt alsof de wereld voor hem nog geen categorie heeft bedacht. Zijn werk wordt gevolgd door gamedesigners, komieken, filosofen en andere botmakers. Een Britse hoogleraar literatuur, Leonardo Flores, schreef over zijn bots in een onlinetijdschrift over elektronische poëzie.

Webontwerper Andrew Simone, die het werk van Kazemi volgt, noemt hem ‘een zeer subversieve, bots producerende John Cage’. Kazemi maakt deel uit van een kleine maar actieve groep programmeurs die zich, naast het maken van slimme webspeeltjes, bezighoudt met het onderzoeken van de algoritmes en datastromen die ons tegenwoordig overal omringen, om die informatie te gebruiken voor het leveren van scherpe sociale kritiek op de manier waarop mensen het internet gebruiken – en het internet hen gebruikt.

Door mensen te imiteren, op manieren die zowel ontroerend als desoriënterend zijn, richten de bots van Kazemi onze aandacht op de macht en de beperkingen van geautomatiseerde technologie, en herinneren ze ons aan onze neiging om te spreken en te handelen op manieren die in wezen robotachtig zijn. Hoewel het eerder om conceptuele kunst gaat dan om activisme, zijn de bots die Kazemi creëert provocerend bedoeld – ze roepen de vraag op of computers, naarmate ze steeds meer gaan denken als wijzelf, en ons gedrag gaan beïnvloeden, ook zodanig kunnen worden geprogrammeerd dat ze ons vrijer kunnen maken.