Lebowski – Amsterdam

Dit zijn de eerste drie hoofdstukken van de Italiaanse bestseller Wacht op mij! van Michele Serra, die in september bij Lebowski verschijnt. De roman gaat over de generatiekloof tussen vader en zoon. Met een mengeling van woede, liefde en melancholie kijkt vader toe hoe zijn zoon zich steeds meer van hem vervreemdt. Wacht op mij leest tegelijkertijd als een monument voor een generatie die de onverschilligheid omarmt lijkt te hebben. ‘Dit is de pure schoonheid van het schrijven’ (La Repubblica).

1.

Waar ben je verdomme?
Ik heb je al minstens vier keer gebeld, maar je neemt nooit op. Je mobiele telefoon gaat net zo vruchteloos over als die van overspelige echtgenoten en gekwetste minnaressen. Het eindeloze, voortdurende rinkelen doet ofwel actieve onwil, ofwel milde ongeïnteresseerdheid van jouw kant vermoeden: ik weet niet welke van de twee soorten ‘ik neem niet op’ het meest beledigend is.
Om nog maar te zwijgen over de doodsangsten die ik uitsta als ik je niet kan bereiken, dat wil zeggen: altijd. Ik heb geleerd die angsten onder te brengen bij mijn ondeugden, niet langer bij jouw fouten. Maar daarom zijn ze nog niet minder zwaar te verduren. Elke ambulancesirene, elke weerkaatsing van een sterfgeval op het journaal opent het deksel van de doos van mijn angsten. Ik zie verkreukelde scooters, bloedige vechtpartijen, dodelijke overdoses, politieagenten in de weer om een of andere illegale braspartij in toom te houden. Ik lees met masochistische gulzigheid de ramprubrieken over jouw soortgenoten, platgedrukt in de massa tijdens raves, gevloerd door een of ander chemisch brouwsel, de keel doorgesneden tijdens een nachtelijke vechtpartij op een of andere anonieme parkeerplaats bij een discotheek, doodgeknuppeld door agenten die hun uniform onwaardig zijn.
Een niet-ingecalculeerde moederlijke kwetsbaarheid doet mijn mannelijke aplomb verweken. Ik merk dat ik de twee zwakheden bij elkaar optel: de hunkering van de Moeder om te beschermen, het dwingende verlangen van de Vader naar rechtschapenheid. Ik zie hoe ik je tegelijkertijd te hulp schiet en streng berisp; schizofrene karikatuur van het gezag.
(Gezag: sinds je geboorte organiseer ik rondom dit woord vergaderingen die even hoogdravend zijn als vaag. De sprekers hebben allemaal mijn gezicht en in deze vergadering komen mijn intellectuele scherven bijeen om te proberen de verloren eenheid te hervinden, en iedereen verwijt alle anderen dat ze dom zijn. De ideale titel van deze chaotische bijeenkomst zou zijn: Hoe vaak had ik in plaats van je uit te schelden je juist moeten strelen? Hoe vaak heb ik je gestreeld terwijl ik je eigenlijk had moeten uitschelden?)

Het enige wat ik zeker weet, is dat je thuis bent geweest. De sporen van je aanwezigheid zijn onmiskenbaar. De kelim in de hal is een bergje met plooien en dalen. Zijn eerlijke, rechthoekige vorm kan niet ontsnappen aan jouw komen of gaan: hij wordt ontwricht door de afdruk van jouw enorme schoenen, elke stap van jou correspondeert met een verandering van de oorspronkelijke vorm. Eeuwen van handvaardigheid van tientallen volkeren – Kaukasiërs, Maghrebijnen, Persianen, Hindoestanen – worden omgewoeld wanneer jij daar loopt.
Ten minste drie van de vier hoeken zijn opgekruld en een paar grote, golvende, niet parallelle plooien doen het horizontale aanzicht van het kleed veranderen in het van nature ongelijkmatige silhouet van de aardkorst. ’s Winters voegen sporen van modder en dorre bladeren gewaagde varianten van Land Art toe aan de strenge geometrische decoraties van de kelim.
’s Zomers is de ramp iets geordender, minder betoverend vergeleken bij het winterse pièce de milieu. Maar de schoen die afdrukt en ontwortelt is steeds dezelfde: jij en je volksstam hebben sandalen en instapschoenen afgeschaft ten gunste van schuiten van opgevuld rubber die jullie voeten het hele jaar door verzwelgen, in ijskoude sneeuw en in gloeiend heet zand. De baan van de aarde om de zon is jullie onbekend, jullie kleden je in een sneeuwstorm precies hetzelfde als wanneer de zon je schedel doet koken, jullie beschouwen weersomstandigheden als een detail dat tevergeefs klopt op het omhulsel van jullie cocon.
In de keuken is de gootsteen gevuld met vuile borden. Klodders saus, inmiddels ingedroogd door het vele koken, bedekken het fornuis. Dit is de norm. De uitzondering (die in vrolijke opeenvolging kan variëren) is een aangekoekte pan, of het vergiet met geamputeerd handvat, of een ovenschaal met een restje macaroni dat zijn schimmel produceert precies op de plank voor de koelkast: een stap verder en het zou gered zijn, maar jouw meesterlijke vermogen om mee te gaan met de entropie van de wereld zit precies in dit piepkleine, nauwelijks waarneembare verschil tussen ‘gedaan’ en ‘niet gedaan’. Ook als het nauwelijks moeite zou kosten om de cirkel te sluiten, laat jij hem open. Je bent een perfectionist in nalatigheid.

In huis slingert meer dan één asbak rond die overloopt van peuken. Hopelijk niet alleen van jou. Hier en daar stroomt uit het bergje een rebelse eenling, op de tafel gerold of op de grond gevallen. Met name de bank, jouw favoriete habitat, wordt opgesierd door asresten. Jij brengt je leven liggend door. Behalve in de keuken, waar een ranzige geur overheerst, is het huis doordrenkt van de stank van sigarettenpeuken, en zelfs ik, die ook rookt, vind het onmogelijk om die doodsmantel te classificeren als het residu van iets prettigs. De meest ongeneeslijke kettingroker zou een paar keer per week hier moeten komen om met wat hem rest aan longen deze verbrande, modderige lucht in te ademen. Hij zou bevrijd zijn.

Bijna stralend in dit gore en naar duisternis neigende tafereel is het sneeuwwitte aureool bij de koffiemachine. Het is gemaakt van suiker. Je zal het wel aanstellerig vinden om met je lepeltje de omtrek van het kopje te zoeken en daarom strooi je viriel je suiker met het brede en bruuske gebaar van een zaaier. Als je vervolgens het kopje optilt blijft er in het midden een maagdelijk rondje over, met een ring van suiker eromheen. Ik ben eraan gehecht geraakt, net als aan de mieren die soms in strak gelid komen grazen op jouw onbedoelde hemellichaam.
De badkamervloer ligt bezaaid met natte handdoeken. Een handdoek ophangen aan het handdoekenhaakje is een activiteit die jij waarschijnlijk onbegrijpelijk vindt, net als alle handelingen die leiden tot het sluiten van de cirkel. Net als een la dichtdoen, of een kastdeur, nadat je die hebt geopend. Net als je kleren, die je overal neersmijt, van de vloer oprapen en opvouwen, die sweaters die eruitzien alsof ze zijn gedragen door een lichaam dat alleen bestaat uit ellebogen, met uitstulpingen ook op plaatsen die geen enkele bestaansreden hebben, en bovendien zijn opgevuld met het T-shirt dat je in één beweging uittrekt samen met elk kledingstuk dat je eroverheen draagt. Het bovenste gedeelte van je klerenkast is één grote massa, een blok multiplex dat zich vormt wanneer er kleren bij komen, maar niet uiteenvalt wanneer er kleren weggehaald worden.
Overal vuile onderbroeken. Duizenden. Miljoenen. Opgerold tot balletjes die vanwege hun geringe gewicht en de beperkte ruimte die ze innemen niet allemaal op de grond terechtkomen. Sommige ook op planken en tafeltjes, als belletjes die in alle hoeken van het huis zijn vrijgekomen uit een mysterieus gas.

Altijd wel een elektronisch apparaat dat niet is uitgezet. Op de muren van het donkere huis gedempte schijnsels van controlelampjes, ledlampjes, zoemende beeldschermen als gloeiende kolen in de kachel van plattelandshuizen. Vaak vertoont de televisie in je kamer ook als jij er niet bent een van die Amerikaanse satirische cartoons (Family Guy of The Simpsons) waarin de consumptiemaatschappij wordt bespot. Of het is de laptop die muziek uitbraakt en verlaten op je bed ligt te reutelen (ik heb – tevergeefs – geprobeerd je uit te leggen dat dat heel gevaarlijk is, dat het hele huis kan afbranden. Dit is mijn miserabele manier van gezag uitoefenen.)
Alles blijft aanstaan, niets wordt uitgezet. Alles blijft openstaan, niets wordt gesloten. Alles wordt begonnen, niets wordt afgemaakt.

Jij bent de perfecte consument. De droom van elke tiran of ambtenaar van de moderne dictatuur, voor wie het, om zijn delirante muren overeind te houden, noodzakelijk is dat iedereen meer verbrandt dan hem verwarmt, meer eet dan hem voedt, meer verlicht dan hij kan zien, meer rookt dan hij kan roken, meer koopt dan hem bevredigt.