The New York Times – New York

De Amerikaanse journalist Theo Padnos werd in Syrië ontvoerd door rebellen van het aan Al-Qaida gelieerde al-Nusrafront. Na 22 maanden kwam hij in augustus dit jaar vrij. In de volgende 360 leest u zijn onwaarschijnlijke verhaal. Hier alvast een fragment.

Op 3 juli, in het holst van de nacht, liet een van de twee hoogste commandanten van Al-Qaida in Syrië me uit mijn cel halen. Bijna twee jaar lang had hij me in verschillende gevangenissen achter slot en grendel gehouden. Die nacht werd ik van een omgebouwd klaslokaal bij de oostelijke stad Deir al-Zour, waar ik vast had gezeten, naar een kruispunt van woestijnpaadjes gebracht, op vijf minuten rijden. Daar aangekomen stapte de commandant uit zijn Land Cruiser. In het donker, omringd door met kalasjnikovs behangen mannen, keek hij me glimlachend aan. ‘U weet wie ik ben?’ vroeg hij.

‘Jazeker,’ zei ik. Ik kende hem van de keer dat hij me in mijn cel had opgezocht, acht maanden eerder, en een tirade had gehouden over de misdaden van het Westen tegen de islam. Maar ik kende vooral zijn reputatie. Als topman van het al-Nusrafront, de Syrische tak van Al-Qaida, beheerde hij de kas en wees hij de gebouwen en controleposten aan die respectievelijk moesten worden opgeblazen en aangevallen. Ook bepaalde hij welke gevangenen werden geëxecuteerd en welke er werden vrijgelaten. Hij wilde zeker weten dat ik zijn naam wist. Die wist ik inderdaad, dus ik zei hardop: Abu Mariya al-Qahtani. ‘U bent onze Hooggeleerde Heer,’ ging ik verder, en ik gebruikte de term sjeikna waarmee zijn mannen hem altijd aanduidden.

‘Mooi,’ zei hij. ‘Je weet dat we door ISIS zijn omsingeld?’

Dat wist ik niet.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Wees maar niet bang. Ze krijgen me niet te pakken. En jou ook niet. Overal waar ik ga, ga jij mee. Duidelijk?’ Ik knikte.

We reden naar een woonhuis aan de rand van een olieveld in de buurt van de Eufraat. De rest van de nacht keek ik toe hoe zo’n tweehonderd soldaten en rond de vijfentwintig geestelijk leiders en volgelingen uit de Afghaanse jihad zich reisklaar maakten. Er moesten zakken vol Syrische ponden voor in de Toyota Hiluxen worden gezet, en buitgemaakte dozen met legermaaltijden in de laadbakken, met waterkoelers en koffers ernaast. En dan was er nog het wapentuig: mortieren, raketten, machinegeweren, munitiezakken vol kogels en granaten, stapels zelfmoordgordels. Tegen vier uur ’s ochtends was alles ingepakt. Toen het licht werd, reed de commandant naar de kop van de Hilux-colonne en schoot met zijn pistool in de lucht. Even later waren we onderweg. We vlogen over het zand. Er zijn wegen in dit deel van Syrië. Die gebruikten we niet.