The Economist – Londen

Christelijke kerken krijgen steeds meer aanhangers in China. Dit tot schrik van de autoriteiten, die zijn gedwongen om hun standpunten over religie te heroverwegen.

De kuststad Wenzhou wordt soms het Jeruzalem van China genoemd. Omringd door bergen en ver van de hoofdstad Beijing gelegen is de stad sinds lang een toevluchtsoord voor een godsdienst die de communistische leiders van China met lede ogen bezien: het christendom. De meeste steden van dezelfde grootte, met ongeveer 9 miljoen inwoners, tellen hooguit een stuk of tien zichtbaar christelijke gebouwen. Maar tot voor kort zag je honderden kruisen op kerkdaken in Wenzhou.

Dit jaar zijn echter meer dan 230 daarvan als ‘illegale constructies’ aangemerkt en verwijderd. Op filmpjes op het internet zijn menigten parochianen te zien die een menselijk schild rond hun kerken proberen te vormen. Tientallen zijn daarbij gewond geraakt. Andere films tonen huilende gelovigen die uitdagend psalmen zingen terwijl enorme rode kruisen van de gebouwen worden getakeld. In april werd een van de grootste kerken van Wenzhou volledig met de grond gelijkgemaakt. Gezagsdragers liggen niet wakker van de botsing tussen het beroemde onbekommerde kapitalisme van de stad en de ideologie van de Communistische Partij, maar zien godsdienst en de symbolen daarvan als een belediging van het partij-atheïsme.

Christenen in China worden al lange tijd vervolgd. Onder Mao Zedong was geloofsvrijheid vastgelegd in de nieuwe communistische grondwet (voornamelijk om moslims en Tibetaanse boeddhisten in het westen van het land tegemoet te komen). Maar misschien wel een half miljoen christenen werden doodgemarteld, en nog eens tienduizenden werden naar werkkampen gestuurd. Sinds de dood van Mao in 1976 staat de partij geleidelijk meer godsdienstvrijheid toe. De meeste kerken in Wenzhou zijn zogeheten ‘Drie-Zelfkerken’, waarvan China er ongeveer 57.000 telt. Volgens het officiële jargon zijn deze kerken ‘zelfvoorzienend’, ‘zelfbesturend’ en ‘zelfverbreidend’ (en dus beschermd tegen buitenlandse invloeden). Ze verklaren zich trouw aan China en worden erkend door de regering. Desondanks hebben vele ervan in Wenzhou duidelijk officiële wrevel gewekt. De meeste christenen die de maoïstische vervolging hebben overleefd – en ook veel nieuwe gelovigen – weigeren bovendien om zich überhaupt bij zulke kerken aan te sluiten en blijven bijeenkomen in niet-erkende ‘huiskerken’, die de partij lange tijd heeft geprobeerd te verbieden.

Een verhevener dogma

Het christendom valt moeilijk in toom te houden in China – en het wordt steeds moeilijker. Het verspreidt zich snel en infiltreert zelfs in de eigen partijgelederen. De grens tussen huiskerken en officiële kerken vervaagt, en christenen treden steeds meer in de openbaarheid om een actievere rol in de samenleving te spelen. De Communistische Partij moet een nieuwe manier vinden om hiermee om te gaan. Er is zelfs sprake van dat de partij, de grootste expliciet atheïstische organisatie ter wereld, het voorbeeld van haar zusterpartijen in Vietnam en Cuba zal volgen door haar leden toe te staan een ander – en zelfs verhevener – dogma aan te hangen dan dat van Marx.

Elke verandering in de officiële houding jegens godsdienst kan grote gevolgen hebben voor de manier waarop China met talloze binnenlandse uitdagingen omgaat: van separatistische onrust onder Tibetaanse boeddhisten en islamitische Oeigoeren in het westen van het land, tot de groei van ngo’s en ‘civil society’-achtige volksbewegingen, vaak met een religieuze kleur, die de door de partij met achterdocht tegemoet worden getreden maar die zich eveneens snel verspreiden.

De religieuze opleving in China, met name onder de etnische Han-Chinezen, die meer dan
90 procent van de bevolking uitmaken, is algemeen. Vanuit de ultrasnelle treinen die over het Chinese platteland razen kunnen passagiers overal nieuwe kerken en tempels zien verrijzen. Ook het boeddhisme, dat al veel eerder in China is neergestreken dan het christendom, is bloeiende, net als de volksgodsdienst; steeds meer Han-Chinezen gaan op pelgrimstocht naar boeddhistische heiligdommen om geestelijke troost te zoeken.