The New York Review of Books – New York

Chinese scholieren eindigen steevast bovenaan bij internationale toetsen. Maar volgens een nieuw boek van hoogleraar Yong Zhao zeggen die resultaten weinig. ‘China’s onderwijs schiet tekort als het gaat om creativiteit, originaliteit en eigenzinnigheid.’

Op 3 december 2013 verklaarde de Amerikaanse minister van Onderwijs Arne Duncan weer eens dat Amerikaanse middelbareschoolleerlingen internationaal heel slecht scoren in vergelijking met leerlingen in 61 andere landen en in steden als Singapore en Hongkong. Duncan reageerde daarmee op de uitslag van het internationale onderzoek naar de prestaties van leerlingen op het gebied van lezen, natuurwetenschappen en wiskunde (het Program for International Student Assessment, oftewel PISA), dat met regelmaat wordt gehouden. In alle genoemde categorieën stond Shanghai boven aan de lijst van de best scorende landen en steden.

Duncan en andere beleidsmakers toonden zich geschokt en bezorgd over deze resultaten, waarbij Amerikaanse leerlingen zich hooguit ergens in de middenmoot bevonden, en dus bij lange na niet aan de top. Volgens Duncan moesten de Amerikanen de harde werkelijkheid onder ogen zien dat de prestaties van onze vijftienjarigen ‘middelmatig’ zijn en dat onze scholen vastzitten in een ‘onderwijskundige stagnatie’.

Vrijwel dezelfde retoriek had hij gebruikt toen de vorige PISA-resultaten bekend werden. Ondanks de wet ‘No Child Left Behind’ (NCLB) van de regering-Bush, waarin als stevig doel werd gesteld dat in 2014 elk kind voldoende moest presteren op het gebied van rekenen en lezen, en ondanks het 4,35 miljard dollar kostende programma ‘Race to the Top’ van de regering-Obama, zijn de PISA-scores van de Amerikaanse vijftienjarigen sinds 2000 nauwelijks veranderd. NCLB en Race to the Top gingen er beide van uit dat een toetsprogramma met beloning voor hoge scores en straf voor lage de leerkrachten en leerlingen zou prikkelen om beter hun best te doen. Maar duidelijk was dat deze strategie niet werkte. Natuurlijk kon Duncan niet publiekelijk toegeven dat beloning en straf geen beter onderwijs of zelfs hogere toetsresultaten hadden opgeleverd. Dus gaf hij leraren en ouders de schuld: die stelden te lage verwachtingen.

Jaloers keken Duncan, president Obama en wetgevers naar de torenhoge resultaten van Shanghai, en ze vroegen zich af waarom Amerikaanse leerlingen die niet konden overtreffen. Waarom kunnen wij niet zijn zoals de Chinezen? Waarom moeten wij nummer 29 van de wereld in wiskunde zijn, terwijl Shanghai nummer 1 is? Waarom scoren wij lager dan Estland, Polen, Ierland en zo veel andere landen? Duncan wist het zeker: de scores bewezen dat Amerika achterbleef bij de rest van de wereld, en de lage scores waren de voorbode van economische rampspoed. Duncan kon moeilijk toegeven dat de onderwijsstrategie van Bush en Obama na twaalf jaar nog altijd niets had opgeleverd.

De regering-Obama reageerde met steun aan een initiatief dat de ‘Common Core’ wordt genoemd, een gestandaardiseerd toetsingssysteem waarbij leerlingen vanaf hun negende jaarlijks worden getest en waarvan de normen zo hoog liggen dat heel veel leerlingen ervoor zakken. In de staat New York bijvoorbeeld slaagde bijna 70 procent van de leerlingen er niet in een voldoende te halen voor lezen; dat gold ook voor 95 procent van de leerlingen met een handicap, voor 97 procent van de leerlingen voor wie Engels niet de eerste taal was en voor meer dan 80 procent van de zwarte leerlingen en latino’s.

Amerikaanse tieners worden tegenwoordig ook onderworpen aan een streng toetsingsregime.