Fusion | New York

Als de pers schrijft over millennials, gaat het louter om welgestelde jongeren, aldus een Amerikaanse journaliste. Hoog tijd dat er ook aandacht komt voor de rest.

Ik vertel vaak hoe ik ineens tot het besef kwam dat het hele begrip ‘millennial’ lariekoek is. Dat was in Milwaukee in 2013, waar ik een paar twintigers interviewde die bij een start-up werkten. Van die types met een biervat in huis, wandschilderingen op de muren en dure longboards. Ze smeten voortdurend met het M-woord en equivalenten als ‘onze generatie’ en ‘mensen van onze leeftijd’. Ze vertelden dat ze worstelden met alle problemen die in de media uitgebreid aan bod komen: dalen op de sociale ladder, diploma’s die niets meer waard zijn, de behoefte aan zinvol werk en het zoeken naar succes in technologie. Ze gaven hoog op van het fraaie meer bij Milwaukee en het ondernemersvriendelijke klimaat van de stad. Ze verdienden niet veel, maar ik had toch het gevoel dat het wel goed zou komen met die optimistische jongelui.

Toen ik hun schattige loft verliet, viel ik op straat midden in een demonstratie van werknemers uit de fastfoodindustrie die een uurloon van vijftien dollar eisten. De meeste van die werknemers leken ook twintigers te zijn: zwarten en Latino’s die heel andere dingen aan hun hoofd hadden dan die blanke start-upjongens. Na een paar korte gesprekjes was wel duidelijk dat zij zich vooral zorgen maakten over de monden die ze moesten voeden, over de onveiligheid in hun wijk en hoe ze hun opleiding moesten combineren met drie rotbaantjes.

De miljoenen twintigers die in armoede zijn opgegroeid en arm zijn gebleven, worden onderbelicht