Die Presse | Wenen

West-Europese media zien de Hongaarse premier Orbán als een gevaar voor de democratie. Maar in eigen land en bij veel Europese burgers ligt dat heel anders.

Wat is er toch aan de hand in Hongarije? vroegen velen in het Westen zich in 2010 bezorgd af. Met wat voor plannen zal Hongarije nu weer komen? vraagt men tegenwoordig nieuwsgierig. Het verschil in toon en opstelling komt voort uit de voorbeeldfunctie die de conservatieve regering in Boedapest zich heeft verworven door het nemen van enkele belangrijke besluiten.

Hongarije en andere Midden- en Oost-Europese staten beschouwen de EU vandaag de dag als een moderniseringskader voor hun nationale doelen, net zoals Hongarije dat ooit deed met de dubbelmonarchie [Oostenrijk-Hongarije]. West-Europese regeringen en bedrijven zien de armere oostelijke staten nog altijd vooral als nieuwe markten en een bron van goedkope arbeidskrachten. In de monarchie was Hongarije een winnaar, en na de Wende van 1989/1990 hoopten de Hongaren dat de Europese Unie als win-winsituatie zou gaan functioneren voor alle partijen. De EU lijkt tegenwoordig verder dan ooit van dit wensbeeld verwijderd.

‘Verspilde tijd’

Ten tijde van de val van de Muur was Hongarije samen met Polen een economische koploper onder de Oost-Europese staten, maar die positie verspeelde het door eigen schuld. De jaren van de links-liberale regeringen in de periode 2002-2010 gelden intussen als ‘verspilde tijd’. Hongarije raakte diep in de schulden en kon eind 2008 slechts met een 14 miljard euro omvattend hulpprogramma van de EU en het IMF van een bankroet gered worden. De schulden en hypotheken in vreemde valuta drukten zwaar op huishoudens en gemeentes.

Voor EU-subsidiegelden haalden de links-liberale bestuurders ofwel hun neus op, of ze staken ze in protserige megaprojecten, zoals de vierde metrolijn in Boedapest (kosten: 1,5 miljard euro). De kosten van de schuldsanering werden afgewenteld op de bevolking. De ambitieuze socialist Ferenc Gyurcsány trok de beloften waarmee hij de verkiezingen van 2006 won na zijn zege deels meteen weer in. De toenmalige premier gaf in zijn uitgelekte ‘leugenrede’ toe dat hij geen beleidsplan had, en de verkiezingen met ‘honderden trucjes’ te hebben gewonnen.