The Guardian | Londen

Onder de stad Parijs ligt een tunnelstelsel dat tien keer zo groot is als Central Park in New York. Kunnen deze ruimtes een rol gaan spelen bij de ontwikkeling van de stad?

‘Halt! U betreedt het koninkrijk des doods’, waarschuwt een macaber opschrift naast de ingang van de catacomben van Parijs, het ondergrondse knekelhuis waar zich de stoffelijke resten van zes miljoen Parijzenaren bevinden en dat elk jaar een half miljoen bezoekers trekt.

Dit anderhalf kilometer lange ossuarium (nog steeds een van de meest winstgevende toeristenattracties van de Franse hoofdstad) valt in het niet bij de 300 kilometer ondergrondse tunnels die ontoegankelijk zijn voor het publiek. En er wordt geregeld iets nieuws ontdekt, zoals onlangs een galerij onder het Bois de Vincennes, een van de grootste parken van Parijs.

Naast de catacomben ligt een voormalig tolhuis. In deze Barrière d’Enfer (‘Hellepoort’) is de Inspection Générale des Carrières (IGC) gehuisvest, een in 1777 door koning Lodewijk XVI opgerichte instelling die toeziet op het in kaart brengen en onderhouden van de 32 vierkante kilometer verlaten steengroeven onder de stad. Het ondergrondse gebied is daarmee tien keer zo groot als het Central Park in New York.

Spectaculaire zinkgaten worden niet altijd veroorzaakt door mijnactiviteiten, maar door zijn ondergrondse geschiedenis is Parijs er wel vatbaar voor. Hoewel de laatste ramp alweer van 1961 dateert, toen 22 mensen omkwamen doordat een hele buurt in een Parijse buitenwijk instortte, rukt de IGC nog steeds ruim zeventig keer per jaar uit. Het gaat om gevallen als huizen die dreigen te verzakken of wegen die in zinkgaten verdwijnen.

De winning van krijt, gips en vooral kalksteen voorzag Parijs van het roomkleurige steen dat werd gebruikt voor het Louvre en gebouwen uit de tijd van de negentiende-eeuwse stadsbouwmeester Haussmann. Het uiterlijk van een stad wordt van oudsher bepaald door de beschikbare bouwmaterialen. De steenhouwerij vond plaats buiten de stad zelf, in toenmalige semiplattelandsgebieden als Montmartre en Montparnasse. Maar in de begintijd van de moderne verstedelijking werden die dorpen al snel opgeslokt door het uitdijende Parijs, waardoor groeven die nog in bedrijf waren ontoegankelijk werden of te duur om te exploiteren.

Nadat deze doolhof van ondergrondse steengroeven was verlaten zonder in kaart te zijn gebracht, werd hij een verborgen gevaar voor een stad die zich in rap tempo bleef uitbreiden. In 1774 verdween 300 meter straat in een 20 meter diep gat, het eerste grote incident van deze aard. Er waren geen slachtoffers, maar het was de aanzet tot de oprichting van het inspectoraat.

De schedelmuur in de catacombes van Parijs, een van de meest winstgevende attracties van de Franse hoofdstad. – © Education Images / UIG via Getty Images