The Observer | Londen

De rellen van de laatste weken in de Franse banlieues hebben hun wortels in de Franse koloniale geschiedenis, betoogt Andrew Hussey in zijn boek De Franse intifada.

Op 27 maart 2007 was ik laat in de middag na een werkdag in Parijs-Oost met de metro onderweg naar huis. Op het Gare du Nord stapte ik uit om van trein te wisselen. Als in trance liep ik, opgaand in de muziek op mijn koptelefoon, werktuiglijk naar de winkelgalerij die de verbinding vormt tussen de boven- en benedenverdieping van het station. Normaliter kocht ik hier een krant en koffie en pakte ik daarna een trein naar mijn at in zuid.

Maar het was geen gewone avond. Toen ik de trap naar de uitgang op liep, drong de geur van rook mijn neus binnen en hoorde ik geschreeuw. In de gangen was het meer dringen dan gewoonlijk en waren de mensen iets gespannener en slechter gehumeurd dan doorgaans tijdens het spitsuur. Toen ik het hoofdplein van de galerij naderde, prikte rook in mijn ogen en neusgaten en werd het geschreeuw luider. Ik zag gewapende politieagenten en honden. Niettemin had ik niet het idee dat er echt iets mis was. Het enige wat me zorgen baarde, was hoe ik door de inmiddels tot stilstand gekomen stroom forenzen naar de trein kon komen die me naar huis zou brengen.

Ik wurmde me door de menigte, stapte het plein op en zat plots gevangen in een lege ruimte tussen twee gevechtslinies – aan de ene kant politiemensen in zwart-blauwe uitrusting die met wapenstokken op hun doorzichtige, harde schilden sloegen, aan de andere kant een ordeloze verzameling kinderen en jongeren, voornamelijk zwart of Arabisch, jongens en meiden in hiphopkleding die zongen, lachten en met dingen gooiden. Je kon uit hun accent en manier van doen opmaken dat het geen Parijzenaars waren; het waren kinderen uit de banlieues – de arme voorsteden ten noorden van Parijs die via treinen met Gare du Nord als eindbestemming waren verbonden met de stad. Een Afrikaans uitziende jongen slingerde met een kreet een ijzeren staaf de lucht in, die tegen een fotocabine en een drankautomaat knalde. Een paar meter verderop werd brandgesticht bij een loket.

Vrolijk

De sfeer was vreemd genoeg vrolijk. Achter het staal en glas van de eindhalte van de Eurostar escorteerden soldaten met machinegeweren net gearriveerde passagiers uit Londen naar Parijs, de schitterende hoofdstad van Europa, waar het nu zo te zien oorlog was. Ze sloegen het tafereel met afschuw gade. Jongeren sprongen over metropoortjes, rookten stickies, schreeuwden, liepen waar ze wilden en negeerden de normaal geldende regels rond de toegang naar het station. Het was een vermakelijk gezicht, maar riep tegelijkertijd angst op, want deze jongeren konden je nu zomaar iets aandoen als ze er zin in hadden. Regels en wetten – ze trokken zich nergens iets van aan.

In de dagen daarna las ik de kranten erop na. De meeste reporters en ooggetuigen waren het eens over de chronologie. Om halfvijf ’s middags was een Congolese jongeman, een bekende van de politie, opgepakt toen hij zonder kaartje het station probeerde binnen te komen. Bij de arrestatie ging het niet zachtzinnig toe, en toen de politieagenten op de jongen begonnen in te slaan, kwamen voorbijgangers tussenbeide om het op te nemen voor de underdog. De agenten grepen naar hun geweren en knuppels, en algauw ontstond een niet meer een-twee-drie in te tomen rel.