Cumhuriyet | Istanboel

Aydan Engin, commentator van Cumhuriyet, beschrijft de deplorabele staat van de Turkse media onder de noodtoestand.

Er is me gevraagd de situatie van de Turkse media uit de doeken te doen en iets te vertellen over de journalistiek tijdens de noodtoestand. Dat zal niet meevallen. Wat ik vertel zal Noord-Koreanen of Chilenen die het tijdperk-Pinochet hebben meegemaakt vertrouwd in de oren klinken, maar ik vrees dat het voor Europeanen moeilijker te begrijpen is. Maar laten we het toch maar proberen.

Het is gemeengoed geworden in Turkije, en elders op wereld, dat staten of grote concerns op bestelling artikelen over bepaalde onderwerpen laten schrijven door ‘journalisten’ die zich daartoe lenen. Maar deze aanpak rent achter elke mug aan in de hoop de malaria uit te roeien. In Turkije heeft het regime van Erdogan een veel doeltreffender manier gevonden: het simpelweg laten opkopen van kranten en televisiezenders. De grote bouwbedrijven, rijk geworden in de publieke sector, hebben de onafhankelijke media in handen gekregen om ze om te vormen tot propagandainstrumenten.

Inmiddels zijn deze media gespecialiseerd in het verspreiden van allerlei leugenachtige en tendentieuze informatie. Journalisten die zich daartegen verzetten zijn eruit gegooid. Naar schatting hebben in drie jaar tijd 2600 journalisten hun baan verloren. De media en persgroepen die niet zijn opgekocht en tot de orde geroepen, zijn onschadelijk gemaakt. Tijdens het Gezi-protest van 2013, gericht tegen de sloop van het Taksim Gezi-park, koos een bepaalde informatiezender ervoor een documentaire over pinguïns uit te zenden in plaats van verslag te doen van de gebeurtenissen. Sindsdien worden dit soort media aangeduid met de spotnaam ‘pinguïnmedia’.

Ook al zitten onze collega’s achter de tralies, toch zullen we geen duimbreed afwijken van onze redactionele koers