Cumhuriyet | Istanboel

Zo’n honderdvijftig Turkse journalisten zijn gevangengezet. Akin Atalay van Cumhuriyet vertelt over de erbarmelijke omstandigheden waaronder hij vastzit en een procureur die hem aan de inquisitie doet denken.

De mooie dagen liggen voor ons, vrienden, de dagen vol zon.* Vandaag is het mijn honderdste dag. De honderdste dag dat ik samen met mijn collega’s achter de tralies zit. Gevangenschap tijdens de noodtoestand betekent slechtere omstandigheden, meer beperkingen, meer onrechtvaardigheid, meer problemen. Een week telt 168 uur. Een van deze uren breng ik door in gezelschap van mijn advocaten, onder het toeziend oog van een bewaarder. En ander is gewijd aan onze familie, met wie we communiceren via een telefoon, gescheiden door een dik raam. De resterende 166 uur zitten we in de cel in gezelschap van onze twee medegevangenen. Ieder contact met de buitenwereld is verboden.

Toch zijn de mensen van Cumhuriyet beter af dan heel wat anderen. Sinds het begin van onze gevangenschap worden we onvoorwaardelijk gesteund door de krant. We hebben onze familie en onze vrienden. We hebben onze vrienden van de [sociaaldemocratische] CHP die ons bezoeken wanneer ze maar kunnen, en honderden advocaten die wachten tot het bezoekuur aanbreekt. We mogen ook de post lezen die onze naasten ons sturen en de artikelen die de krant publiceert. Woorden om onze dankbaarheid te betuigen schieten tekort. We willen onze familie bedanken, onze vrienden, onze krant, voor hun onvoorwaardelijke steun tijdens deze beproeving.

Zo is het nu gesteld met de rechtvaardigheid en het recht in ons land. Maar dat is maar tijdelijk