The New York Times | New York

Mocht Hillary Clinton in november president worden, dan zal ze waarschijnlijk een veel agressiever buitenlandbeleid voeren dan Barack Obama. En misschien zelfs wel dan Donald Trump. Mark Landler, Witte Huisverslaggever voor The New York Times, beschrijft waar die militaire angehauchtheid vandaan komt.

Hillary Clinton zat thee te drinken in de goed verstopte werkkamer van haar officiële kantoor op het ministerie van Buitenlandse Zaken en maakte de balans op van haar eerste ambtsjaar. De werkkamer had meer iets van een huiskamer – gezellig door de houten lambrisering en de boekenplanken vol aandenkens aan haar drie decennia in het openbare leven: een beeldje van haar heldin 
Eleanor Roosevelt, een honkbal met 
de handtekening van sterspeler Ernie Banks van de Chicago Cubs, een houten figuurtje van een zwangere Afrikaanse vrouw. De intieme sfeer leende zich voor een minder formeel interview dan de gebruikelijke locatie, haar imposante officiële kantoor met zijn marmeren haard, dikke gordijnen, kristallen kandelaar en rijkelijk versierde wandlampen. Maar op de ochtend van 26 februari 2010 praatte Clinton over iets gevoeligers dan buitenlandse zaken: haar relatie met Barack Obama. Zeggen dat ze haar woorden met zorg koos is een understatement. Ze leek op iemand van de explosievenopruimingsdienst die moest beslissen welke kleur draad ze moest doorknippen zonder haar relatie met het Witte Huis op te blazen.

‘Ik denk dat we een uitstekende onderlinge verstandhouding hebben opgebouwd over alles wat je je kunt voorstellen,’ zei Clinton over de man die 
ze tijdens de campagne in 2008 nog had afgeschilderd als naïef, onverantwoordelijk en totaal ongeschikt voor het presidentschap. ‘En we hebben een aantal interessante en zelfs ongebruikelijke ervaringen opgedaan.’ Ze leunde voorover terwijl ze sprak, gebaarde met haar handen en was goedlachs. Tijdens gesprekken met verslaggevers toont Clinton meer warmte dan Obama, al is de kans dat ze het achterste van haar tong zal laten zien kleiner.

Oorlog en vrede

Clinton begon, zoals zo vaak, over de VN-klimaattop in Kopenhagen van december 2009, die zij en Obama gezamenlijk voor een mislukking hadden behoed. Ze sprak over het vredesproces in het Midden-Oosten, een speerpunt van de president, dat ze nieuw leven moest inblazen. Maar ze had het begrijpelijkerwijs liever niet over onderwerpen waarover Obama en zij van mening verschilden, zoals dat van oorlog en vrede, waar Clintons activistischere houding al op onvoorspelbare manieren in botsing was gekomen met de terughoudendere opstelling van Obama. Ze had generaal Stanley McChrystal gesteund toen deze adviseerde om veertigduizend extra manschappen naar Afghanistan te sturen, om vervolgens genoegen te nemen met een lager aantal van dertigduizend (waarmee Obama akkoord ging, op voorwaarde dat ze in juli 2011 zouden worden teruggetrokken, wat zij als 
problematisch beschouwde). Ze stond achter het plan van het Pentagon om 
in Irak aanwezig te blijven met een leger van tien- tot twintigduizend manschappen (iets waartegen Obama zich verzette, voornamelijk omdat hij zich niet van de wettelijke bescherming van de Iraki’s kon verzekeren, iets wat hem zou achtervolgen toen IS een groot deel van het land bezette). En ze drong erop aan dat de VS wapens zouden 
leveren aan de rebellen in de Syrische burgeroorlog (een idee dat Obama aanvankelijk verwierp, om er later schoorvoetend mee in te stemmen).

Deze fundamentele spanning tussen Clinton en de president zou een wezenskenmerk blijven van haar vierjarige ambtsperiode als minister van Buitenlandse Zaken. Tijdens het eerste regeringsoverleg over Rusland in februari 2009 stelden adviseurs van Obama voor om de VS enkele symbolische concessies aan Rusland te laten doen, als blijk van goede wil. Clinton, die als laatste aan het woord kwam, verwierp het idee met de woorden: ‘Ik ga niet voor niets iets opgeven.’ Haar hardnekkigheid maakte indruk op Robert Gates, de van George W. Bush overgenomen minister van Defensie, die beducht was voor een veranderd Rusland. Hij stelde ter plekke vast dat ze iemand was met wie hij zaken kon doen. ‘Ik dacht: Geen makkelijke tante,’ zei hij me.