El Espectador | Bogotá

De Colombiaanse schrijver Héctor Abad, die vijf maanden in Den Haag woont, is onder de indruk van de Nederlandse strijd tegen het water. En van Multatuli.

Als ik bij het huis in de buitenwijk van Den Haag kom waar ik vijf maanden ga wonen, 
kijk ik op de hoogtemeter van mijn mobiele telefoon en zie dat ik op één meter onder de zeespiegel sta.

Dat zit er niet ver naast. Een kwart van Nederland ligt onder de zeespiegel. Ik wandel over de bodem van een strandmeer, doorsneden met kanalen en vol windmolens. Er zijn nauwelijks hoogteverschillen in dit winderige, vlakke land. En het is niet de laatste verrassing waarvoor deze bergbewoner uit de Andes komt te staan.

Veel Europese rivieren monden in Nederland in zee uit. Dat is nogal 
wiedes, zeggen ze, want juist omdat het land zo laag ligt, komen ze hier uit. Dat wil zeggen dat Nederland één grote delta is waar de rivieren aan hun einde komen. Maar het lijkt wel of ze zich daar niet zomaar bij neerleggen: ze wringen zich in bochten, maken 
van de vloed gebruik om hun loop om te keren en zo hun leven te rekken, 
vormen grote meren van brak water in kommen laagland en bezinken in het zand (waarin ze zich levend begraven) in plaats van zich over te geven aan de zeedood.

Zelf gemaakt

Nederland is het grote kerkhof van de Europese rivieren. Het land dankt zijn vruchtbaarheid aan de dikke lagen sediment van al die stromen. Hier arriveren de majestueuze Rijn, Maas en Waal (in werkelijkheid de grootste zijrivier van de Rijn, vlak voordat hij zich in zee stort). Ook is er de Schelde, wellicht de traagste van alle, zo traag dat 
je op een bepaald punt niet meer weet of hij komt of gaat, want de vloed van de zee laat zich tot op tientallen kilometers landinwaarts voelen. En de IJssel (het enige woord dat ik ken dat met twee hoofdletters begint) en die andere zijrivier van de Rijn, de Nederrijn. Met al die waterlopen weet je nooit wat nu de hoofdrivier is en wat alleen maar zijrivieren.

In mijn vocabulaire spreek je van een rivier als er zijstromen in uitmonden, maar het waterweefsel hier (kanalen, stuwen, dijken, sluizen, dammen, uiterwaarden) is nog ingewikkelder dan Brussels kant of het halfcirkelvormig web van Amsterdamse grachten dat een fascinerend labyrint van straten creëert.

Volgens de schrijver Cees Nooteboom – de volgende Nobelprijswinnaar – hebben de Nederlanders ‘het land dat ze bewonen niet ontdekt of in bezit genomen, maar zelf gemaakt’. Grachten en sloten graven om meren droog te leggen, grond ophopen om het water tegen te houden en er landbouw op te bedrijven. Windmolens om het water weg te pompen en polders te creëren, windmolens om moerassen droog te malen, windmolens voor de prachtige schilderijen van de Vlaamse School. 
Die schilderkunst is zo volmaakt dat het wel lijkt of ze alle energie uit de andere kunsten heeft weggezogen: de Lage Landen hebben bij mijn weten geen grote componisten van klassieke muziek voortgebracht. Wel grote denkers: Erasmus en Spinoza, die de tolerantie predikten in een Europa dat verscheurd werd door politiek en religieus fanatisme. En Anne Frank, niet te vergeten, die in wezen hetzelfde deed.