Fenghuang Wang   | Hong Kong

De Chinese partijtop besteedt er liever geen aandacht aan, maar het is vijftig jaar geleden dat de Culturele Revolutie van Mao Zedong losbarstte. De ideologische starheid is nog te groot voor een heldere kijk op de zaak, zegt de Chinese historicus Ma Yong tegen Fenghuang Wang, een van de weinige tijdschriften die een kritisch geluid durven laten horen.

Liu Yuhan: Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat de Culturele Revolutie begon. Daarop volgden tien verschrikkelijke jaren. Wie heeft volgens u de aanzet gegeven?

Ma Yong, onderzoeker aan het Onderzoeksinstituut voor Moderne geschiedenis aan de Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen:
‘De Culturele Revolutie kon in China plaatsvinden doordat het denken te uniform was geworden. Ware emancipatie van het denken kun je niet opleggen, die ontwikkelt zich vanuit een veelheid van stemmen. De Culturele Revolutie kon juist uitbreken en tot zulke ernstige uitwassen leiden doordat het ontbrak aan verschillende meningen, aan diversiteit. Want de mensen durfden zich niet te onderscheiden of ze konden het niet: binnen de Communistische Partij van China (CCP) had je vertrouwen in de leider, je volgde hem blindelings. En een reeks campagnes voor ‘ideologische hervormingen’ die vanaf 1951 werden gelanceerd, maakten onafhankelijk denken buiten de partij ook steeds moeilijker, met name voor intellectuelen, die toch bekendstaan om hun onafhankelijke geest.’

Waarom gebeurde dit?

‘In de zeventien jaar voorafgaand aan de Culturele Revolutie [van het uitroepen van de Volksrepubliek China tot 1966] was er interne onenigheid in de Communistische Partij over de te volgen ideologische lijn. Er zijn binnen de 
partij altijd stromingen en krachten geweest die tegen Mao Zedong waren, maar die zijn gemuilkorfd. Wat bijzonder jammer is. Maar dat had wel 
te maken met de nationale en internationale context van vóór 1949. Het was een tijd van oorlog [acht jaar lang tegen Japan, van 1937 tot 1945, gevolgd door vier jaar burgeroorlog tussen de communisten en de nationalisten van de Kwomintang], dus we konden niet zonder de adviezen van de militaire staf en al helemaal niet zonder voortvarende besluiten van de leiders. De CCP had echt behoefte aan een leider als Mao Zedong, die in staat was beslissingen te nemen.

Nadat China in 1945 Japan had verslagen, had niemand ter wereld gedacht dat de Kwomintang vier jaar later gedwongen zou worden het continentale deel van China prijs te geven aan Mao Zedong en de CCP [en de wijk te nemen naar Taiwan]. Door deze historische wapenfeiten wist 
Mao het vertrouwen van de bevolking te winnen en werd hij in het begin van de jaren vijftig als een ware god gezien, in ieder geval tot 1957 [toen hij de campagne Laat Honderd Bloemen Bloeien lanceerde waarbij de Chinezen werden aangemoedigd kritiek te leveren, meteen gevolgd door een campagne tegen rechtse elementen].’