Yediot Aharonot | Tel Aviv

Jordanië, dat dit jaar zijn zeventigjarige bestaan viert, is al vele malen bijna verdwenen. Een Israëlische journalist reist door een land dat bedreigd wordt door IS, en ambigue betrekkingen onderhoudt met de Joodse staat.

‘Kop op, je bent een Jordaniër,’ staat er op de reclameborden in Amman, de hoofdstad van een hasjemitisch koninkrijk dat zeventig jaar onafhankelijkheid viert. Hoe vaak heeft men in de loop van de bewogen geschiedenis van het land de grafrede ervoor uitgesproken? Toch is het koninkrijk er telkens weer in geslaagd te overleven en zijn hoofd boven water te houden.

Wanneer je Jordanië binnenkomt vanuit Beet She’an, in het noorden van Israël, beland je midden in de Syrische burgeroorlog aan de drievoudige grens tussen Israël, Jordanië en Syrië. Vanaf een uitkijkpost in een gesloten militaire zone zie je duidelijk de posities van de Syrische rebellen, die van het Israëlische leger op de Golanhoogvlakte en die van het Syrische regime.

Vijf decennia geleden streden Israël, Jordanië en Syrië om het kostbare bezit van de Jarmuk, een zijrivier van de Jordaan, die de grens vormt tussen de drie landen. Momenteel volgen het hasjemitische koninkrijk en de Hebreeuwse staat met argusogen wat zich afspeelt op het Syrische grondgebied.

Al in 1994, na de ondertekening van het vredesakkoord, had de Syrische president Hafez Al-Assad geprobeerd Jordanië te straffen door de ‘kranen’ dicht te draaien. ‘Stel je voor,’ zegt een Jordaanse officier tegen ons, ‘wat IS of andere extremistische groeperingen zouden doen als ze de Jarmuk nu in bezit zouden weten te krijgen.’

Jordanië is de kleinste economie van het Midden-Oosten