The New York Review of Books | New York

Ludwig Wittgenstein legde naast zijn filosofische werk een ‘haast bezeten precisie’ aan de dag voor details. Met name die van de deurkruk, en dan vooral zijn buisvormige deurkruk waar hij slotenmakers mee tot wanhoop dreef.

Wat was toch ook alweer het bijzondere aan handgrepen – van deuren, bijlen, vazen en kruiken – dat grote denkers in het Wenen en Berlijn van begin twintigste eeuw zo sterk bezighield, in navolging van eerdere bespiegelingen over handgrepen in Amerika en het oude Griekenland?

Zoals iedereen weet hield Ludwig Wittgenstein de filosofie voor gezien na het verschijnen van zijn Tractatus Logico-Philosophicus in 1921. In plaats daarvan ging hij tuinieren, in een kloostergemeenschap aan de rand van Wenen, waar hij een paar maanden in een schuurtje woonde. Het was deels om hem weer meer naar ‘de wereld’ toe te trekken dat zijn zus Margarete (Gretl) hem vroeg om samen met de architect Paul Engelmann haar nieuwe huis te ontwerpen, een strak modernistisch bouwwerk dat nu, na vele veranderingen, onderdak biedt aan de Bulgaarse ambassade.

Bezeten precisie

Wittgensteins bijdrage aan het project was relatief beperkt, volgens zijn biograaf Ray Monk (alhoewel Engelmann zelf, uit professionele bescheidenheid of wellicht vanuit enige ambivalentie over het eindproduct, beweert dat er wel degelijk sprake was van een verstrekkende samenwerking): zijn rol bij het ontwerpen van het huis beperkte zich voornamelijk tot de ramen, de deuren, het sluitwerk en de radiatoren.

Dat is minder bescheiden dan je op het eerste gezicht zou denken, want dit zijn precies de details die een verder onopvallend, om niet te zeggen lelijk huis zijn kenmerkende schoonheid verlenen. De totale afwezigheid van versierselen aan de buitenkant verleent het een strenge uitstraling, die enkel wordt verzacht door de elegante verhoudingen en de nauwgezette uitvoering van de door Wittgenstein ontworpen details.

Bij die details, en met name bij de deurkrukken, legde Wittgenstein een ‘haast bezeten precisie aan de dag’, om de woorden van Monk te gebruiken, en hij dreef slotenmakers en technici geregeld tot wanhoop door het haast onmogelijke te verlangen. De onbeschilderde, buisvormige deurkruk die Wittgenstein had ontworpen voor het huis van Gretl blijft het prototype voor alle dergelijke deurkrukken, en is ook in de eenentwintigste eeuw nog onverminderd populair. (Thomas Bernard had zonder enige twijfel zijn idool, Wittgenstein, in gedachten, toen hij tegen een vriend zei dat je alleen een exacte vervanging kon vinden voor een kapotte deurkruk door een identieke deurkruk te zoeken.)