360 Magazine | Amsterdam

Het onlangs gelanceerde Georgetown Memory Project wil afstammelingen van slaven die in 1838 door de Universiteit van Georgetown werden verkocht, opsporen en vergoeden. Daarmee is de discussie of nazaten van slaven een financiële genoegdoening moeten krijgen weer aangezwengeld.

JA

Om tal van redenen heeft de beweging die schadeloosstelling eist voor de afstammelingen van Afro-Amerikaanse slaven zich niet als een olievlek uitgebreid. Voor de meeste Amerikanen staat slavernij symbool voor een ver verleden dat niets met de huidige tijd te maken heeft. Bankiers, kooplieden en industriëlen hebben allemaal van de slavenhandel geprofiteerd, evenals rederijen die voor de aanvoer van zwarte werkkrachten zorgden. En meer dan tien Amerikaanse universiteiten hebben inmiddels erkend banden met de slavernij te hebben gehad.

In het schrijnende geval van de Universiteit van Georgetown zijn ontkenningen simpelweg onmogelijk. In 1838 verkochten jezuïeten 272 Afro-Amerikaanse mannen, vrouwen en kinderen aan de hel van de suikerplantages in het zuiden om de oprichting van hun universiteit te financieren. Dankzij deze verkoop kon een van de meest prestigieuze katholieke universiteiten van het land ontstaan.

Degenen die naar de jezuïetenplantages in Maryland en naar New Orleans werden gestuurd zijn met naam en toenaam bekend. Het feit dat sommige van hun afstammelingen inmiddels ook bekend zijn is een argument te meer om zich over een van de ernstigste misdaden tegen de menselijkheid te buigen.

Georgetown heeft de morele plicht om het aangedane onrecht goed te maken