360 Magazine | Amsterdam

In een mooie bespreking van de nieuwe biografie van John le Carré ging William Boyd onlangs in op de aantrekkingskracht van spionnen. Niet alleen thrillerschrijvers zijn dol op ze, schreef hij in New Statesman, ook opvallend veel ‘serieuze’ auteurs hebben spionageromans geschreven.

Denk aan Graham Greene, Muriel Spark of John Banville. Als verklaring haalde Boyd een quote aan van Le Carré zelf: ‘Ik denk dat we allemaal deels in een clandestiene situatie leven… We kennen onszelf nauwelijks – negentig procent van onszelf bevindt zich onder water.’

Wat spionnen doen, concludeerde Boyd, is gewoon een uitvergrote versie van ons eigen gedrag. ‘We liegen, bedriegen, doen alsof, en een goede spionageroman werkt omdat dit soort minder fraaie kanten van ons leven erin worden uitvergroot.’ Daar valt weinig op af te dingen, en dus moet het wel raar lopen, wilt u niets van uw gading vinden in het zestien pagina’s tellende spionagedossier waarmee we dit zomernummer beginnen.

Vooral op het openingsstuk uit The Guardian zijn we trots, want het verhaal over twee in Canada geboren broers die ontdekken dat hun ouders Russische agenten zijn, is zonder meer een van de spannendste longreads van dit jaar. Verder zou je kunnen concluderen dat elk tijdperk de (imaginaire) spionnen krijgt die het verdient. Waar de vergeten Britse detectiveschrijver Adam Diment in de Swinging Sixties successen vierde met boeken over een hasj rokende, meisjes versierende antiheld, daar is de spion van de toekomst volgens het tijdschrift Wired een saaie data-analist.

Op de Horizonpagina’s laten twee vrouwen op briljante wijze zien dat er ook een alternatief is voor liegen, bedriegen en doen alsof