Die Zeit | Hamburg

Elk jaar spoelen op de Japanse kust tientallen scheepswrakken aan met lijken van vissers. Waar komen ze vandaan? En hoe zijn de vissers gestorven? Het Duitse weekblad Die Zeit ging op onderzoek uit.

Op de boot van mijn liefste
gaat mijn liefste aan boord,
om te gaan vissen.
En ik roep uit: Waarheen gaat de boot van mijn liefste?
Ik krijg geen antwoord.
De boot aan de horizon, met witte mast,
Is die niet van mijn liefste? Ik zie hem niet, mijn liefste,
omdat tranen mijn blik vertroebelen.
(Lied over Noord-Koreaanse vissers, gedicht door hun vrouwen)

Wit zijn de muren en wit zijn ook de kasten met dossiers die in wit karton gebonden zijn. De mensen die hier werken, dragen witte pakken. Een ruimte zo steriel als een laboratorium, zoals in veel Japanse gemeentehuizen. Afdelingschef Kiyoshi Tanaka legt een stapel papieren op de tafel waaraan hij bezoekers ontvangt. Buiten woedt een sneeuwstorm, een laatste stuiptrekking van de winter. De wind rukt aan de kale takken, tilt ze op en duwt ze omlaag, om ze dan opnieuw te laten zwiepen.

‘We zijn eraan gewend merkwaardige dingen langs onze kust te vinden,’ zegt Tanaka in het gemeentehuis van Sai, een eenzaam vissersdorp met een paar honderd houten huizen. Het ligt in het uiterste noorden van Honshu, het grootste eiland van Japan. ‘We vinden van alles en nog wat,’ zegt Tanaka. Hij vertelt over vrachtcontainers die zich hebben losgerukt, over meubels die op de golven drijven, vaten van chemicaliën, planken, ijzeren palen. Veel dingen die op het strand zijn aangespoeld, kan hij niet eens goed thuisbrengen.

Het is de taak van Tanaka om de strandgoederen volgens de voorschriften te verwijderen, naar de vuilstortplaats te rijden of te laten verbranden. Een weinig opwindende bezigheid in het dorp van tweeduizend zielen. Tot er voor de kust iets opdook wat rechtstreeks uit een griezelverhaal leek te komen. De armada van doden. Ouderwetse schepen, ondersteboven drijvend of nog volledig intact, leeg of met lijken benedendeks.