New Statesman | Londen

Alleen op vakantie? Ten dode opgeschreven. Overblijven als ouwe vrijster? Een Afschrikwekkend Voorbeeld. Helen Walmsley-Johnson (zestig en single) maakt brandhout van alle rolbevestigende vooroordelen. 
Ze vindt zichzelf opnieuw uit en ontdekt dat het een zegen is om ‘droog te staan’.

In 2001, toen mijn kinderen volwassen waren en hun eigen leven hadden, pakte ik mijn boeltje en verhuisde naar Londen. Je spullen ergens opslaan en opnieuw beginnen is niet iets wat gescheiden vrouwen van middelbare leeftijd geacht worden te doen. Tenminste, niet als je afgaat op wat andere mensen daarover te zeggen hadden. In zekere zin snapte ik wel wat ze bedoelden. Ik had het studentenleven en het daarmee gepaard gaande bestaan van kamerbewoner gemist en koos er nu voor om me in het kleinste slaapkamertje te wurmen van een rijtjeshuis in Oost-Londen dat ik met vijf onbekenden zou delen.

Na een half jaar begonnen de eindeloze schoonmaakroosters, ijskastoorlogen en het delen van de badkamer me zwaar te vallen. Het enige lichtpuntje in deze duistere periode was een donker huis bij thuiskomst: dat betekende dat ik het huis voor mezelf had. Alle glans was inmiddels van het op kamers wonen af, maar ik was weer op de been, had mijn carrière op stoom gebracht en wist dat ik in Londen wilde blijven, althans, in de nabije toekomst.

Toen ik op een zaterdag op zoek ging, vond ik een piepklein betaalbaar appartementje aan de rand van Blackheath, en daar bleef ik veertien jaar wonen, langer dan ik ooit eerder ergens heb gewoond. Een jaar later werd ik gedumpt door de vriend met wie ik vier jaar samen was geweest omdat ik ‘te onafhankelijk’ was, en kwam ik, zoals dat geloof ik heet, ‘droog te staan’. Ik zou het liever een zegen noemen.

Het was maar goed dat ik in Londen woonde toen we uit elkaar gingen, want daar trok niemand zich een moer van de etiquette der singles aan