Der Tagesspiegel | Berlijn 

Reinhard Gehlen (1902-1979) was de beroemdste spion van Duitsland tijdens de Koude Oorlog. Maar van zijn onfeilbare reputatie blijft na recent onderzoek weinig over.

Al tijdens zijn leven was hij een door geheimen omhulde legende, ‘de man zonder gezicht’. Kort voor zijn dood in 1979 noemde een Britse auteur hem zelfs ‘Duitslands meesterspion’, en ook nog ‘spion van de eeuw’: generaal Reinhard Gehlen, het eerste hoofd van de Bundesnachrichtendienst (BND), de buitenlandse geheime dienst van de Bondsrepubliek. De BND was in 1956 voortgekomen uit een al geformeerde groep, die Gehlen niet alleen had geleid, maar die zelfs zijn naam droeg, de Organisation Gehlen.

Voor zijn dominante rol in de West-Duitse geheime dienst van na de oorlog had Gehlen zich uitgerekend laten voorstaan op zijn werk als leider van de Abteilung fremde Heere Ost in Hitlers oorlog tegen de Sovjet-Unie. In die positie was hij in het opperbevel van het leger verantwoordelijk geweest voor de analyse en prognose van de operationele bedoelingen van de Sovjetstrijdkrachten. Toen al was hij bezig de mythe van zijn eigen onfeilbaarheid op te bouwen. In Der Dienst, zijn memoires die in 1971 verschenen, beweerde hij zelfs dat hij het in zijn analyses van de vijand in het Oosten tussen 1942 en 1968 altijd bij het rechte eind had gehad, of die analyses nu voor Adolf Hitler, voor de Amerikanen of voor de Bondsregering bestemd waren.

Max-Meldungen

Het is verbazingwekkend dat niemand die bewering ooit grondig heeft onderzocht. Pas vijf jaar geleden riep de BND zelf een onafhankelijke commissie van historici in het leven om de ontstaansgeschiedenis en de vroege jaren van de BND wetenschappelijk te onderzoeken – en daarmee ook de persoon Gehlen van zijn geheimzinnigheid te ontdoen. Of het eindrapport van de commissie nog dit jaar zal verschijnen, zoals was aangekondigd, is onzeker: de BND verzet zich heftig tegen het voornemen van de historici om ook de echte namen van de agenten van de dienst te vermelden. Maar nu al is het beeld van de onfeilbare meesterspion onhoudbaar.

Al in september 1943 moest Gehlen als hoogste inlichtingenofficier van het Duitse leger een soort bekentenis afleggen: in juli 1943 was het laatste grote Duitse offensief in het Oosten mislukt tijdens de grootste tankslag die ooit werd geleverd – bij Koersk, op 100 kilometer van de huidige Oekraïense grens –, mede omdat de Sovjets al lang van de plannen wisten. De Duitsers raakten in de verdediging, en daarom werden er van Gehlens afdeling realistische aanwijzingen geëist over plaats, tijd en sterkte van de aanvalsplannen van de Sovjets.

Maar uitgerekend in die situatie moest Gehlen bekennen: ‘Door het uitvallen van de belangrijkste bronnen ontbreken op dit moment meldingen over de bedoelingen van de vijand.’ Men was nu ‘voor een aanzienlijk deel’ aangewezen op ‘gevolgtrekkingen van zuiver theoretische aard’.

Sinds zijn aantreden in april 1942 had Gehlen zich steeds sterker georiënteerd op de zogeheten ‘Max-Meldungen’, die door de inlichtingendienst van de Wehrmacht werden aangeleverd. Die meldingen behelsden informatie over de verplaatsing van Sovjettroepen, de positie en bezetting van vliegvelden, maar berichtten ook over actuele strategische besluiten van de generale staf van de Sovjets onder leiding van Stalin. Na aanvankelijke scepsis beschouwde Gehlen de meldingen als zodanig betrouwbaar dat hij ze ook geloof schonk als ze uitsluitend door volgende ‘Max-meldingen’ leken te worden bevestigd.