Financial Times | Londen

Arme blanken worden al heel lang bespot en rechteloos gemaakt in hun eigen land – evenals de arme zwarten. Dus waarom slaan ze de handen niet ineen?

Het is bijna twee eeuwen geleden dat de term ‘white trash’ [blank uitschot] voor het eerst in druk verscheen. Het scheldwoord is altijd in zwang gebleven en deel gaan uitmaken van een rijke woordenschat die teruggaat tot Amerika’s eerste kolonie in Jamestown. In die tijd stonden de contractarbeiders, zwervers en allerlei soorten veroordeelden die door Engeland in de Nieuwe Wereld waren gedumpt, bekend als ‘schorriemorrie’.

In vierhonderd jaar is er, behalve de omvang van het vocabulaire, verrassend weinig veranderd. Arme blanken werden afwisselend aangeduid als ‘geteisem’, ‘uitvaagsel’, ‘armoedzaaiers’, ‘hillbillies’, ‘kleivreters’, ‘tuig van de richel’, ‘schorem’, ‘rednecks’, ‘blanke negers’ en ‘asocialen’. Tegenwoordig zou ‘Trump-kiezer’ wellicht ook volstaan. Voor een land dat klassenidentiteit verafschuwt, is Amerika’s blanke proletariaat opmerkelijk goed geclassificeerd.

Een jongetje in een woonwagenpark in Watford City, North Dakota. – © Andrew Burton / Getty