Reportagen   | Bern

Hij wint, hij zweeft, hij zinkt, hij slaat te pletter, en bloedend zweert hij nooit meer een stap in het casino te zetten. Maar dan steekt het Beest de kop op en fluistert verleidelijk: ‘Je wilt toch een nieuwe Playstation, niet dan?’ 
De schrijver van deze pageturner is pas veertien als zijn inleg verdubbeld aan de roulettetafel en het casino zijn vesting wordt. ‘Een microkosmos waar mijn verstand regelmatig zoekraakte.’

De mevrouw achter het kogelvrije glas bekijkt me eens goed om te zien of ik zelfmoordplannen heb. Ik ben 29 en moet er niet aan denken dat het daarbij blijft. Integendeel. Ik voel me opgelucht en sta met een optimistisch, ietwat scheef glimlachje op mijn gezicht tegenover haar. Aan het loket van het casino. Ik heb uit mezelf een formulier gevraagd voor een vrijwillig entreeverbod. Ik geloof dat de casinomevrouw Dolores heet. Al vijftien jaar zie ik haar hier zitten, terwijl ik geld verspeel. De eerste jaren was ze mooi. Tussen de eeuwig knipperende lampjes werd ze steeds grijzer. Pas als Dolores heeft vastgesteld dat ik niet naar de strop zal grijpen, overhandigt ze me het formulier, want in de regel roepen vooral suïcidale gokkers, die zojuist alles verloren hebben, op deze manier om hulp. Ze legt uit dat ik een heel jaar nergens in het land meer mag spelen, en als ik na afloop van die termijn weer wil beginnen, moet ik eerst een aanvraag indienen. Daar moet ik een verklaring van de dokter bij doen waaruit blijkt dat ik door het gokken mezelf niet in gevaar breng. Voordat ik mijn handtekening zet, aarzel ik even. Ik kijk nog een keer naar de roulettetafels, zoek het Beest, kijk de verwelkte muurbloem aan de kassa nog eens aan, kijk nog een keer naar de tafels. Ik teken en ga ervandoor.

Naar het casino

Vijftien jaar daarvoor. Eduard en ik willen naar de bioscoop. Iets met Bruce Willis tegen de rest, blote handen tegen helikopters. Ik ben veertien, Eduard is een jaar ouder. En minstens twee jaar gewiekster dan ik. Hij is zelfs niet bang voor een slecht rapport of voor meneer Anders, onze vreselijke directeur. We hebben nog een uur tot de film begint. We slenteren wat rond door de binnenstad en weten niet goed raad met onszelf en onze tijd. Tijd die nog geen geld is, hoogstens speelgoedgeld. Ik weet niet meer wie bedacht om naar het casino, tegenover de ijssalon, te gaan. En ook niet waarom geen van de medewerkers er iets van zei toen wij met onze kinderhanden inzetten op de roulettetafel. In die tijd was er nog geen leeftijdscontrole bij de ingang. Wat moeten we er met zijn tweeën lief uitgezien hebben. Tussen de afgetakelde beroepsgokkers met hun tabaksadem en uitgebluste ogen. Ed en ik fladderen als twee verdwaalde vuurvliegjes naast elkaar ons hol binnen, benauwd of we de tien vuurvliegjesmark die we op rood hebben gezet ooit nog zullen terugzien. Negentien, rood, gewonnen! Tien vuurvliegjesmarken worden twintig mannenmarken. Eduard en ik zijn in één keer ongenaakbare avonturiers. En we voelen ons de koning te rijk als we de rook van de met onze winst gefinancierde cigarillo’s van vijf mark uit onze puberlongen blazen.

Ik heb altijd alleen roulette gespeeld. Andere kansspelen hebben me nooit aangetrokken. Roulette heeft van alle kansspelen de grootste winstkans. Die ligt rond de 66 procent, al naar gelang er een of twee nullen (Amerikaanse speelwijze) op de zogeheten cilinder staan. Maar dat was niet de reden van mijn fascinatie. Die wiskundige belofte wordt door geen enkele doorgewinterde speler serieus genomen. Als je verliest, verlies je. En je kunt er zeker van zijn dat je verliest − iedereen verliest. Iedere speler heeft, in elk geval bij benadering, die deprimerende optelsom in zijn hoofd van de duizenden die hij er in de loop der tijd doorheen gejaagd heeft. Een systeem had ik niet. Dat wil zeggen, intussen weet ik dat ik het niet had. Tussendoor koesterde ik allerhande vormen van bijgeloof als strategie. Bijvoorbeeld het devies om met het spel mee te gaan in plaats van tegen het spel in: wanneer de zeven drie keer achter elkaar uitkwam, nog een keer op zeven zetten! Stochastische wetmatigheden? Aan de speeltafel slaan die helemaal nergens op! Lange tijd cultiveerde ik het honingraatprincipe. Daarbij richtte ik me op één onderdeel, laten we zeggen de getallen hoog in de twintig, en metselde dat consequent dicht met fiches. Nog zo’n empirisch verworven stelregel was om nooit met geld te spelen dat je eerlijk had verdiend. Fortuna, die hedonistische bitch, ruikt dat. Zweetgeld verzwelgt ze meedogenloos. Poen waar je door een beetje heling, geknoei met de bijstand of nog liever door spelen aan bent gekomen, zo uit de moederschoot zeg maar − dat vindt ze een stuk fijner. Wat Eduard betreft, hij verdedigde de theorie dat er structureel goede en slechte dagen zijn om te spelen. Zaterdag was bijvoorbeeld een slechte dag, omdat er dan veel mensen komen die wat geld willen scoren om eens flink de bloemetjes buiten te zetten. Maandag was ook niet slim, omdat dan alleen de harde kern van spelers komt en de zaak verder leeg blijft, waardoor de bank een enkele keer moet bijspringen om de kas kloppend te krijgen. Donderdag. Ja, donderdag was volgens hem heel verstandig.