Financial Times | Londen

De manier waarop de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge een artistieke taal ontwikkelde die persoonlijk en speels is, maar óók doordrenkt van politiek, blijft verrassen, in zijn hele oeuvre.

De katten maken me duidelijk dat ik goed zit. Twee beeldjes van spichtige wezens die elkaar aankijken, ieder op een kant van het hek in Houghton, een van Johannesburgs welvarende buitenwijken die schuilgaan achter palissanders. Ik herken de katten van tekeningen, etsen en films – waarin katten tevoorschijn komen uit een radio (Ubu Tells the Truth), zich opkrullen tot een bom (Stereoscope) of veranderen in een espressopot (Lexicon). Dit keer zijn ze van metaal en zwaaien uiteen, bieden mij zicht op een steile oprit met bovenaan een gebouw van glas en steen, rustend op pilaren, te midden van weelderig groen: de studio. Een tuinman leidt me langs een paar palmvarens naar de ingang aan de rechterkant, waar een assistent me mee naar binnen neemt en naar William Kentridge brengt. Kentridge draagt een blauw in plaats van een wit overhemd, maar verder stemt alles tot in detail overeen met zijn zelfverkozen uniform: zwarte broek, zwarte schoenen, het koordje van een pince-nez door een knoopsgat, het knijpbrilletje zelf in een borstzakje als het niet op zijn neus staat.

Veroverd

Wanneer William Kentridge tegenwoordig naar een van de grote wereldsteden gaat, blijft zijn komst bepaald niet onopgemerkt. In 2010 veroverde hij Manhattan, met een retrospectief in het MoMA en een uitvoering van Sjostakovitsj’ De neus in de Metropolitan Opera. Sindsdien: Berlijn, Beijing, Rio, Oaxaca, Mumbai, Milaan, Moskou (om maar een greep te doen). Eerder dit jaar hing er een 550 meter lange fries [een smalle lange lap die boven het toneel hangt], zodat het publiek de buizen en lampen boven het toneel niet ziet hangen, van reusachtige figuren aan een van de oevers van de Tiber in Rome – zijn grootste openbare kunstwerk tot dan toe. En dan nu Londen: later deze maand opent een grote tentoonstelling, getiteld Thick Time, in de Whitechapel Gallery. In November gaat zijn productie van Alban Bergs Lulu in première in de English National Opera.

Landgenoten, mede-inwoners van Johannesburg – we hebben allemaal met veel plezier, en misschien zelfs met enige verbazing, gezien hoe WK tot grote hoogten is gestegen binnen de kunstwereld. De verbazing wordt deels veroorzaakt door het feit dat hij vrijwel letterlijk de hele wereld heeft weten te veroveren door zo ongekend dicht bij zichzelf en zijn land te blijven. Dürer, Hogarth en Daumier; het hele intellectuele kader van de Verlichting; de kunst van de Russische Revolutie en andere mislukte utopieën van de twintigste eeuw; diepgravende reflecties op het wezen van ruimte en tijd – dat alles gefilterd door de unieke lens van zíjn Johannesburg. Of, om preciezer te zijn, de radius van drie kilometer waarbinnen zich Kentridges huis bevinden, de scholen die hij heeft bezocht, de universiteit van Witwatersrand waar hij is afgestudeerd in politicologie en Afrika-studies, de Market Gallery waar hij eind jaren zeventig voor het eerst exposeerde, de Junction Avenue Theatre Company, waarvoor hij schreef, speelde en regisseerde.