Süddeutsche Zeitung   | München  

Het hectische fietsverkeer in Amsterdam kan intimiderend zijn voor buitenstaanders. Kun je als toerist meekomen? De Duitse journaliste Katja Schnitzler neemt de proef op de som.

Op de eerste brug kom ik erachter dat mijn fiets niet remt. Van links komt een Amsterdammer op zijn rijwiel, dat men hier ‘fiets’ noemt, aan sjezen. Niet alleen aan mijn gezicht ziet hij dat we elk moment op elkaar zullen gaan knallen. De fietsverhuurder had zo-even nog gezegd dat elke Amsterdammer liever een terugtraprem heeft dan een handrem: ‘Die kan gewoon beter tegen een stootje en hoeft niet constant gerepareerd te worden.’ Toen wist ik nog niet dat ook hij het kennelijk te veel moeite vond om de handremmen van mijn huurfiets te repareren.

Bij de brug trapt de Amsterdammer dus terug, zo hard hij kan, terwijl ik met mijn schoenzolen over de straat schuur. Maar goed dat ik ze de komende twee dagen niet al te veel ga belasten. Ik wil Amsterdam niet lopend, maar fietsend verkennen. Welke stad zou zich daar beter voor lenen?

Onze voorwielen raken elkaar bijna als we tot stilstand komen. Typisch geval van een toerist. Alleen die houden zich niet aan de ongeschreven fietsersregels van Amsterdam:

1. Geremd wordt er niet.
2. Ook niet ingeval van kleinigheden zoals andere fietsers, zebrapaden of voorrang voor rechts.
3. Of een rood stoplicht.
4. Obstakels worden hooguit omzeild, maar zijn geen reden om te stoppen.

Zelfs de politie vindt het niet nodig om met de fiets te stoppen enkel en alleen omdat het licht op rood gesprongen is: kennelijk hebben fietsers in Amsterdam altijd voorrang – en proberen zij uit hoe ver ze op de kruising kunnen komen. Pas vlak voor een motorkap houden ze in en laten ze de automobilist welwillend voor gaan. Voor hen betekenen voetgangers bewegende slalomstangen die, in het geval van toeristen, af en toe recht voor de banden springen. Alles stroomt, en hard ook.