The New York Times | New York

Volgens de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev heeft de Turkse regering grote fouten gemaakt in de nasleep van de recente coup. Maar ook de EU reageerde verkeerd. Het is nu zaak om te zorgen dat de relatie niet volledig ontspoort.

Toen ik een paar dagen geleden aan boord stapte van een Turkish Airlines-vlucht naar Ankara, overhandigde een stewardess me een gelikt uitziende brochure over de mislukte staatsgreep van 15 juli. Daarin werd het Turkse volk geprezen om zijn bezielde verdediging van de democratie en werd de Gülen-beweging, die voor de staatsgreep verantwoordelijk werd gesteld, afgeschilderd als een duistere religieuze samenzwering die je eerder in een roman van Dan Brown zou verwachten.

De patriottische brochure was een voorbode van wat ik tijdens mijn bezoek aan het land veelvuldig te horen zou krijgen van Turkse ministers, onafhankelijke journalisten en oppositieleiders. Deze totaal verschillende mensen, vaak afkomstig uit tegengestelde politieke kampen, waren het over één ding roerend eens: de poging tot staatsgreep op 15 juli was totaal onverwacht (in een land dat tijdens recente decennia al vier staatsgrepen te verduren had gekregen) en om die reden zwaar traumatisch. En stuk voor stuk gaven ze de gülenisten de schuld.

De hoop op aansluiting bij de Europese Unie lijkt voorgoed vervlogen