Alternet.org | San Francisco

Vijftien jaar na de Amerikaanse inval in Afghanistan zijn de taliban weer aan de macht. Dat moet niet worden gezien als bewijs van een inherente vorm van Afghaanse wreedheid, schrijft de Indiase marxist Vijay Prashad. ‘Dit vertoont de vingerafdrukken van het Westen en de Saoedi’s.’

Het is nu vijftien jaar geleden dat het Amerikaanse leger de aanval inzette op Afghanistan. Deze aanval was het openingssalvo van de wereldwijde strijd tegen terrorisme. De Amerikanen wisten met massale bombardementen de taliban en Al-Qaida te verjagen naar de bergen of naar de buurlanden – waaronder Pakistan. Een van de mensen die het strijdtoneel ontvluchtten was Osama bin Laden, die pas werd gedood in 2011 – tien jaar later. Wat Amerika met deze oorlog beoogde was eenvoudig: voorkomen dat Afghanistan Al-Qaida een veilig toevluchtsoord zou bieden, en de taliban verjagen zodat Afghanistan een democratie zou worden. Er werd ook gerept van meer vrijheid voor vrouwen en scholing voor de Afghaanse bevolking.

Anderhalf decennium later is de taliban weer aan de macht. De beweging maakt de dienst uit in grote delen van het platteland, en dreigt ook weer de overhand te krijgen in belangrijke stedelijke gebieden. Kunduz, in het noorden, is afwisselend in handen van de taliban en van het Afghaanse Nationale Leger. In de provincie Helmand, in het zuiden, waar de Amerikaanse troepenmacht is gestationeerd, dreigt de taliban de hoofdstad Lashkar Gah in te nemen. De taliban heeft al zes van de veertien districten van Helmand in handen. Met andere woorden: een groot deel van zuidelijk Afghanistan zit in de tang van de taliban.

Niet een van de Amerikaanse oorlogsdoelen is bereikt