Mosaic | Londen

Het idee dat een behoorlijke haardos sexappeal verleent is zo diepgeworteld, dat mannen voor een ingewikkelde transplantatie duizenden follikels uit hun achterhoofd laten trekken. De vraag is of er inderdaad een oplossing moet worden gevonden voor haarverlies, of voor de manier waarop ermee wordt omgegaan.

Toen ik nog een tiener was, verzekerde mijn moeder me dat ik niet net als mijn vader al rond mijn vijfentwintigste kaal zou worden. ‘Kijk maar,’ zei ze, en ze schoof het haar van haar voorhoofd naar achteren. ‘Je hebt mijn haargrens, niet die van je vader.’ Destijds liet ik me overtuigen, maar al binnen tien jaar bleek haar redenering niet te kloppen. Langzaam schoof mijn haargrens naar achteren, een duidelijk teken dat ik het haarverlies van een van mijn ouders had geërfd.

De opkomst van de sociale media bood me een spannend nieuw tijdverdrijf: mezelf ‘onttaggen’ uit foto’s waar mijn glimmende voorhoofd weinig flatteus op stond, op bijna allemaal dus. Ik deed net alsof het me niet kon schelen, en dat doe ik nog steeds nu ik de veertig ben gepasseerd. Ik ging er op de klassieke manier mee om; ik droeg een hoed, liet mijn baard staan; belachelijk doorzichtige trucs, waar niemand intrapte, en ik al helemaal niet.

Androgenetische alopecia is de medische benaming voor deze erfelijke vorm van haarverlies. Hoewel die zowel mannen als vrouwen kan treffen, richt de haarverliesindustrie zich vooral op de angsten van de man. Naar geschat gaat er wereldwijd anderhalf miljard dollar om in een sector die inspeelt op de behoeften van miljoenen mannen en steeds beter geld uit hun zak kan kloppen. Een willekeurige zoektocht op internet levert een overstelpende hoeveelheid mogelijkheden op die suggereren de kalende man uit zijn ellende te kunnen verlossen; van kruiden tot chirurgische ingrepen, van wonderschuim tot kunstige haarstukjes, van herstellende shampoos tot nanovezelsprays voor het ‘inkleuren’ van kale plekken. Sommige daarvan werken, althans, de kaalte is minder zichtbaar (wondermiddelen bestaan niet), maar wat voor de een werkt, kan voor de ander rampzalig uitpakken.

Lastig probleem

Spencer Stevenson begon al op jonge leeftijd kaal te worden, en hij heeft in de media uitgebreid gesproken over het trauma dat hij daaraan heeft overgehouden. Om dat leed te verzachten heeft hij in totaal zo’n 40.000 pond uitgegeven aan behandelingen, waaronder elf haartransplantaties, en vele daarvan voldeden lang niet aan de gewekte verwachtingen. Sindsdien geeft hij graag adviezen over haarverlies aan hen die daar ook last van hebben, en vertelt hij uitgebreid over de ellende die hij heeft meegemaakt toen hij in handen kwam van wat hij een mensonterende, nietsontziende branche noemt. ‘Alles draait daar om geld en er zijn maar weinig organisaties die het beste voorhebben met de patiënt,’ zegt hij. ‘De branche staat erom bekend dat ze zich als aasgieren storten op de kwetsbare medemens.’

Die kwetsbaarheid wordt zelden erkend, maar is wijdverspreid. Een onderzoek uit 2005, uitgevoerd in vijf Europese landen, laat zien dat 43 procent van de mannen met haarverlies bang is dat ze daardoor minder aantrekkelijk worden, 22 procent dat hun sociale leven zal worden geschaad en 21 procent van de mannen vreest er depressieve gevoelens van te krijgen. De geschiedenis toont aan dat mannen alle mogelijke bizarre middelen proberen om het haarverlies tegen te gaan, terwijl hun omgeving hun frustraties (en ook hun kaalheid) ergens wel vermakelijk vindt. I

n het Oude Testament wordt de profeet Elisa onderweg naar Bethel door een groepje jongens uitgescholden vanwege zijn kaalheid. Dat kwetst hem zo dat hij de hulp van God inroept, die de jongens ogenblikkelijk door twee beren laat verscheuren. Hardvochtig, zeker, maar God koos ervoor de pesters te doden en niet om iets aan die kaalheid te doen. Maar dat kun je Hem natuurlijk niet kwalijk nemen. Kaalheid bij mannen is inderdaad een heel lastig probleem.