The Spectator | Londen

Volgens de bekende Britse journalist en polemist Rod Liddle is het Westen op een onnozele manier bezig om Rusland en Poetin zwart te maken. En vergeet het daarbij even de eigen fouten in Oekraïne, Syrië en Irak.

Al een paar weken vraag ik me af wat goedkoper zou zijn: een kelder uitgraven en een geigerteller en jodiumpillen kopen, of emigreren naar Nieuw-Zeeland. Je kunt me een angsthaas noemen, maar de kant die we opgaan bevalt me helemaal niet. Ik heb alleen de laatste jaren van de Koude Oorlog bewust meegemaakt, maar voor zover ik me kan herinneren toonden beide kanten, wij en zij, meestal wel een zekere mate van redelijkheid en gezond verstand.

Ik heb liever dat een politicus pragmatisch is dan charismatisch, en als je me zou vragen wie mijn favoriete Russische politicus is, zou mijn antwoord dan ook altijd zijn: Brezjnev. Liever Brezjnevs grijze, verstikkende onverschilligheid en detente, dan Chroesjtsjov in zijn rol van onberekenbare boer die met de vuist op tafel slaat.

Als Reagan in die tijd voor een microfoon aankondigde: ‘Over vijf minuten beginnen we met bombarderen’, snapte iedereen dat hij een grapje maakte. Als er nu een idioot parlementslid opkrabbelt en eist dat we Russische vliegtuigen gaan neerschieten, snapt iedereen dat hij geen grapje maakt, maar gewoon stompzinnig en gevaarlijk bezig is. Alleen, dit is een oorlogszuchtige stompzinnigheid die snel om zich heen grijpt. Elke dag schakelt de anti-Ruslandretoriek een tandje hoger. Soms komt die retoriek vanuit onze krijgsmacht, die zich misschien beter op haar gemak voelt met een vijand die ze begrijpt dan met allerlei bendes nihilistische, jihadistische gekken. Dan worden we gewaarschuwd dat de Russen Iskander-raketten in de buurt van de Baltische kust stationeren, om Letland, met zijn grote Russische minderheid, en Polen te bedreigen. En dan vertellen de tabloids ons elke dag dat Russische straaljagers telkens weer langs onze kust op en neer vliegen. Alsof ze dat niet al zeventig jaar doen. En alsof wij niet al zeventig jaar hetzelfde doen bij hen.

In Syrië en Irak vechten we om mensen te ondersteunen die niet echt bestaan: de goedwillende, gematigde mensen, niet de jihadisten, maar ook niet Assad. Ze zijn op de vingers van één hand te tellen