Wired | San Francisco

Tien jaar geleden aapten Chinese hightechbedrijven slaafs Silicon Valley na. Maar die mentaliteit begint te veranderen. Steeds meer jonge uitvinders en ondernemers in China willen zélf het nieuwe Google of Apple bouwen.

De jonge programmeur had een idee en iedereen verklaarde hem voor gek. Meteen na zijn studie had hij werk gevonden als programmeur voor YY, een livestreamingbedrijf in Guangzhou, in de Chinese Parelrivierdelta. Elke maand zijn er meer dan honderd miljoen gebruikers die beelden van zichzelf streamen of naar streams van anderen kijken om samen te zingen, te gamen of complete shows te presenteren vanuit hun flatje in Beijing. Het publiek praat dan uitgebreid mee, via microfoon of tekstberichtjes. De programmeur vond dat YY iets nieuws moest proberen: een datingservice. Zijn idee was dat een presentator eenzame singles uitnodigt in een soort onlineontmoetingskamer en hen stimuleert om in gesprek te komen en zo misschien een partner te vinden.

De directie zag het niet echt zitten. ‘De directeur had het bijna afgeblazen,’ zegt hoofd Financiën Eric Ho op het hoofdkantoor van YY, waar drie verdiepingen gevuld zijn met verwoed tikkende programmeurs en designers. Weet je zeker dat je dit wilt doen, had de directeur gevraagd. Het is zo’n stom idee. Ik denk niet dat de mensen hier trek in hebben. Maar de programmeur was enthousiast en bleef aandringen, en dus lieten ze hem begaan: vooruit, probeer maar.

Amerikaanse houding

In China bestond dit type werknemer vroeger niet. Tien jaar geleden werd er geklaagd dat de hightechindustrie van het land gebrek had aan vernieuwers met lef. Je had natuurlijk wel razend winstgevende hightechbedrijven, maar die namen geen creatieve risico’s. Ze aapten gewoon Silicon Valley na. Baidu was een kloon van Google, Tencent een kopie van Yahoo! en JD een dubbelganger van Amazon. Jonge Chinese programmeurs hoorden tot de beste van de wereld, maar ze misten de gedrevenheid van een Mark Zuckerberg of een Steve Jobs. De Amerikaanse houding – vaak falen en snel falen om des te sneller bij een echte knaller uit te komen – was deze jongeren wezensvreemd. Zij vonden dat eng, gedrild als ze waren in een onderwijsstelsel dat nog zwaar leunt op stampwerk en de afstraffing van fouten. Eenmaal afgestudeerd verlangden ze niet naar een eigen bedrijf, maar naar een baan bij een grote, degelijke firma.

Die mentaliteit begint nu te verdwijnen, als gevolg van een welvaartsstijging die jonge technologiestudenten nieuw zelfvertrouwen schenkt. In 2000 behoorde krap 4 procent van de Chinese bevolking tot de middenklasse (gedefinieerd als mensen met een jaarinkomen van 9000 tot 34.000 dollar), maar in 2012 valt al twee derde van de bevolking in die groep. Binnen dezelfde periode is het aantal hogeropgeleiden verzevenvoudigd: vorig jaar hebben zeven miljoen Chinezen een universitaire studie voltooid.

‘We zien begintwintigers die bedrijven starten. Mensen die net zijn afgestudeerd, en zelfs een paar die met hun studie zijn gestopt,’ zegt Kai-Fu Lee, voormalig werknemer van Apple, Microsoft en Google, en nu een durfkapitalist die al tien jaar overal in zijn land jongeren helpt bij het opstarten van een bedrijf. In de grote steden stikt het bij broedplaatsen en hackerspaces inmiddels van de ambitieuze uitvinders en ondernemers. En die azen niet meer op een baan bij Google of Apple. Zij willen – net als hun tegenhangers in San Francisco – zelf het nieuwe Google of Apple bouwen.