Süddeutsche Zeitung | München 

Oeganda ving de afgelopen jaren ruim een miljoen vluchtelingen op, vooral uit buurland Zuid-Soedan. Ook het gastland profiteert van die genereuze welkomstpolitiek.

Op een provisorisch bestaan lijkt het allerminst: een kleine meubelmakerswerkplaats, goed uitgerust met schaafbank, zagen en hamers; wat meters verderop de even solide getimmerde hut voor het gezin. In de tuin groeien tomaten en okraplanten, op een afgeschoten stukje grond drentelen cavia’s rond. Hij fokt ze en verkoopt ze in de buurt; een kleine bijverdienste bij wat hij ontvangt voor de deuren en ledikanten uit zijn werkplaats.

Samuel Manyuon (45) is vluchteling; twee jaar geleden vluchtte hij vanwege de burgeroorlog in Zuid-Soedan. Nu heeft hij hier, in Oeganda, een thuis gevonden dat maar heel weinig weg heeft van de overvolle tentsteden die je aantreft in Kenia of oostelijk Congo. Alleen hier en daar wat witte tentzeilen met het logo van de VN doen vermoeden dat dit geen gewoon Oegandees dorp is. Dit is een vluchtelingenkamp waar elk pas gearriveerd gezin een kwart hectare land toegewezen krijgt, plus hout en golfplaten om een onderkomen te timmeren en zaaigoed om groente te verbouwen. Wie wil, mag meteen werken. ‘We mogen niet klagen,’ zegt Manyuon, ‘de Oegandese regering is erg vriendelijk voor ons.’

Vluchtelingen bereiden maispap in de grensstreek tussen Oeganda en Zuid-Soedan. – © Stephen Wandera / AP Photo