Mosaic | Londen

In de Pakistaanse miljoenenstad Karachi bekommert een groep idealistische ambulancechauffeurs zich met gevaar voor eigen leven om de slachtoffers van branden, vuurgevechten en terroristische aanslagen.

Door de klap van de explosie werd Muhammad Safdar achteruit geblazen. Toen hij opkeek van de plek waar hij was neergekomen, zag hij dat de ruiten van zijn geparkeerde ambulance aan diggelen waren. Hij probeerde overeind te krabbelen en andere chauffeurs van de Edhi ambulancedienst, ook vrijwilligers, kwamen naar hem toe; ze dachten dat Safdar bloedde. Maar hij had geen externe verwondingen opgelopen. ‘Het was menselijk vlees dat aan me kleefde,’ vertelt hij achteraf, op de meldpost van de ambulancedienst in het centrum van Karachi. ‘Mijn vrienden onderzochten me om te kijken of ik gewond was, maar het waren allemaal stukjes van andere mensen. Ik trilde vreselijk en kon mijn eigen stem niet eens horen. Alles schudde. Ik hoorde alleen maar gefluit in mijn oren.’

Het was 5 februari 2010 en Safdar had die dag al eerder met de gevolgen van een explosie te maken gehad: een uur daarvoor was een motorfiets volgepakt met explosieven tegen een bus geknald waarin sjiitische moslims zaten die op weg waren naar een religieuze processie. Safdar was erheen geracet om de doden en gewonden in zijn ambulance te laden en naar het Jinnah-ziekenhuis in de buurt te brengen. Er waren twaalf doden en meer dan dertig gewonden, en de eerste hulpafdeling was een en al chaos, gehuil en gegil, terwijl de artsen deden wat ze konden. Hij was nog in het ziekenhuis toen de tweede bom ontplofte, vlak voor de ingang.

Pas later besefte Safdar dat hij gewond was geraakt aan zijn hoofd. Op het moment zelf deed hij wat zijn instinct hem ingaf, namelijk opstaan en doorgaan met hulpverlenen. Er waren bij deze tweede explosie nog eens dertien mensen gedood, en nog veel meer gewond geraakt. ‘Het was één grote puinhoop, overal lag bloed,’ vertelt hij.

De ziekenhuisingang was zwaar beschadigd en men vreesde voor een derde bom. Ambulancechauffeurs brachten de mensen die het zwaarst gewond waren naar andere ziekenhuizen in de omgeving zodat ze daar behandeld konden worden. Drie ambulances waren verwoest door de explosie, dus moesten ze het doen met wat ze nog hadden.

Over de vele slachtoffers heen keek Safdar telkens naar zijn baas, Abdul Sattar Edhi, de oprichter van de ambulancedienst, die hier ook was met een van zijn eigen ambulances. Als hoofd van een grote liefdadigheidsorganisatie die zich inzette voor de armen, vond Edhi het belangrijk om zelf in de voorste linies mee te doen bij het reddingswerk. Ook nu was hij samen met zijn medewerkers bezig doden en gewonden op te halen. Safdar rende naar hem toe. ‘Ik wilde hem meenemen, voor het geval er een derde ontploffing kwam, maar hij zei: “Ik ga niet weg. Waar ik ben, is geen ontploffing, dus ik blijf waar ik ben.”’ Safdar droeg lichamen naar de ambulances die buiten stonden te wachten. Toen zag hij te midden van het vuil en het bloed iets verdachts: op het parkeerterrein stond een erg schoon uitziende motorfiets met een tv-toestel op de bagagedrager gebonden. Safdar rende terug naar Edhi om hem te vertellen wat hij had gezien. Edhi waarschuwde de politie en bleef op zijn post, terwijl explosievenexperts hun werk deden: het bleek inderdaad een derde bom te zijn, die ze wisten te ontmantelen.

“Wat denk je dat dit is?” zei hij. “Het is een mens. Wat ben jij? Een mens. Waarom gedraag je je zo?” En Safdar tilde het lijk op