360 Magazine | Amsterdam

Drie jaar geleden kostte een zware val de Franse schrijver Sylvain Tesson bijna het leven. Na zijn herstel besloot hij een voettocht dwars door Frankrijk te maken, ver weg van de bewoonde wereld en onze alomtegenwoordige technologie. In dit fragment begint hij zijn reis in het uiterste zuidoosten van het land.

Waarom reed de TGV zo hard? Wat had het voor zin om zo snel te reizen? Wat absurd om met 300 km per uur door het landschap te razen waar je vervolgens maandenlang in omgekeerde richting doorheen ging lopen! Terwijl het landschap in sneltreinvaart uit het zicht verdween, dacht ik aan de mensen van wie ik hield, wat me veel beter afging dan hun mijn genegenheid tonen. Eigenlijk was ik liever in gedachten bij hen dan in hun gezelschap. Familie en vrienden willen je altijd ‘zien’, alsof het een dwingende noodzaak is, terwijl je in ge­dachten juist heel dicht bij elkaar kunt zijn.

24 augustus, bij de Italiaanse grens

Het was mijn eerste wandeldag, vanaf het station van Tende waar ik vanuit Nice per trein naartoe was gereisd. Met onzekere stappen liep ik omhoog naar de bergpas. Goudgele halmen wiegden in de avondbries. Hun bui­gingen leken een eerste teken van vriendschap, van pure schoonheid. Na die sombere maanden waren zelfs de vliegjes in het zonlicht gelukkige voorboden. Hun zwerm in de gouden gloed was een ode aan de eenzaam­heid. Het leek net alsof ze iets in de lucht schreven. Mis­schien wel: ‘Stop die totale oorlog tegen de natuur.’

Ceders stonden als plechtige silhouetten langs de kant van de weg: hun wortels hielden de bermen in hun greep – bomen lijken vaak zeker van hun bestaansrecht. Een herder kwam naar beneden gelopen met aanzien­lijk fermere stappen dan ik, zijn knoestige gestalte ver­scheen in de bocht, hij zag eruit als een held van Giono. Een man van hier. Ik had er altijd al uitgezien als een vent van elders.

‘Hallo, ga je naar de stad?’ vroeg ik. ‘Nee,’ zei hij.

‘Is de kudde boven?’ vroeg ik. ‘Nee.’

‘Ga je beneden slapen?’

‘Nee.’

Ik moest nog zien af te komen van die stadse gewoon­te om met iedereen een gesprek te willen aanknopen. De Col de Tende vormt een zadel in de bergkam van de Mercantour en scheidt Italië van Frankrijk. Ik had besloten om daar te beginnen, in die zuidoosthoek van het land, en vandaar naar het noorden van de Cotentin te lopen. Russen hebben de gewoonte om, voordat ze op reis gaan, even te gaan zitten op een stoel, een hutkoffer of de eerste steen die ze tegenkomen. Ze maken zich­zelf vanbinnen leeg, denken aan degenen die ze achter­laten, vragen zich bezorgd af of ze het gas wel hebben afgesloten, het lijk hebben verstopt of wat dan ook. En dus ging ik zitten, als een Ruski, met mijn rug tegen een houten kapelletje waar een Maria peinzend uitkeek over het landschap aan de Italiaanse kant. Opeens stond ik op en vertrok.

Op de hellingen zagen mijn slechte ogen koeien aan voor ronde keien die van de bergrug waren gerold. De rotskammen, dichtbegroeid met donkere dennen, de­den denken aan de heuvels die ik op mijn twintigste als kantelen aan de blauwe einder van het Chinese Yunnan had zien afsteken. Maar ik verjoeg deze gedachten in het licht van de ondergaande zon. Al die vergelijkingen waren maar ballast.

Had ik mezelf niet bezworen om een paar maanden lang te leven volgens het adagium dat Pessoa in zijn Poemas Inconjuntos had verwoord:

Van de plant zeg ik: ‘het is een plant’, Van mijzelf zeg ik: ‘dit ben ik’

En meer zeg ik niet.

Wat valt er nog meer te zeggen?

O, ik verdacht hem ervan, Pessoa de rusteloze, dat hij nooit trouw was gebleven aan zijn voornemen. Hoe kon je nu geloven dat hij genoegen had weten te nemen met de wereld? Mensen schrijven dit soort manifesten wel, maar ze leven er niet naar. Tijdens mijn wekenlange wandelingen zou ik proberen om alles met een glashel­dere blik te bekijken, zonder er meer in te willen lezen of er het filter van mijn herinneringen overheen te leg­gen. Tot nu toe had ik geleerd om de natuur of de men­sen te gebruiken als een kladblok waarop ik indrukken kon noteren. Nu voelde ik een dringende behoefte om van de zon te genieten zonder Staël erbij te halen, van de wind zonder Hölderlin te citeren, en van een glas koele wijn zonder Falstaff op de bodem te zien dobbe­ren. Kortom, om te leven als zo’n hond die geniet van de rust, met zijn tong uit zijn mond, alsof hij de lucht, het bos, de zee en zelfs de invallende duisternis met één hap gaat opslokken. Natuurlijk was die onderneming gedoemd te mislukken. Eenmaal een Europeaan, altijd een Europeaan.