The Economist | Londen

Bij veel grote bedrijven is Engels de voertaal op de werkvloer. Daarbij lijken native speakers in het voordeel, maar dat is niet altijd het geval.

Het mag duidelijk zijn dat het voordelen heeft om je moedertaal te spreken. De voordelen die het heeft om meerdere talen te spreken, zijn niet meteen zo duidelijk.

In steeds grotere delen van de wereld wordt Engels gesproken. Bij multinationals (zelfs wanneer ze zijn gevestigd in Zwitserland of Japan, om maar wat te noemen) is Engels de voertaal. En internationale organisaties als de Europese Unie doen meer en meer zaken in de nieuwe standaardtaal van de wereld. Op het werk leven we in een Engelstalige wereld, en alle andere talen bestaan bínnen die wereld.

Hebben Engelstaligen daar voordeel bij? Het is onmiskenbaar lastig om te werken in een andere taal. Het is makkelijker om je gedachten onder woorden te brengen of om je genuanceerd uit te drukken wanneer je niet voortdurend hoeft te zoeken naar woorden die je zelden gebruikt, of moet nadenken over de juiste zinsconstructies. Engelstaligen kunnen met uitvoerige, welbespraakte tegenargumenten komen, voortdurend aan het woord zijn zonder dat ook maar iemand kans ziet er een woord tussen te krijgen, of de spanning doorbreken met een kwinkslag. Dat is allemaal veel moeilijker in een vreemde taal. Niet-Engelstaligen hebben in figuurlijke zin niet de handen, maar een deel van hun hersenen op de rug gebonden. In een column in de Financial Times schreef Michael Skapinker onlangs dat het voor Engelstaligen van groot belang is om goed te leren communiceren met mensen die Engels níét als moedertaal hebben.

Verrassingselement

Anderzijds, merkt Skapinker op, het heeft ook voordelen om niet Engelstalig te zijn. Die voordelen springen misschien minder in het oog, maar daarom zijn ze niet minder belangrijk. Niet-Engelstaligen kunnen minder makkelijk pronken met hun scherpe geest. Het kan een voordeel zijn om in intellectueel opzicht hoog te worden aangeslagen, en mensen die goed van de tongriem zijn gesneden hebben dat voordeel overal ter wereld. Maar het omgekeerde geldt ook: het kan een voordeel zijn om dommer te worden ingeschat dan je in werkelijkheid bent, gezien het verrassingselement tijdens de feitelijke onderhandelingen. Bovendien, zegt een Amerikaanse professor in Frankrijk tegen Johnson, zijn mensen afkomstig uit een andere cultuur – niet alleen een andere taal – beter in staat om struikelblokken te signaleren, of bepaalde denkpatronen te herkennen die de Engelstaligen gemeen hebben, en zo een vergadering langs alle heikele punten te loodsen. Zo’n aanpak kan worden verpakt als argeloze onzekerheid: ‘Ik weet niet precies hoe het hier werkt, maar wat mij wel een goed idee lijkt…’

Mensen die werken in een taal die niet hun moedertaal is, noemen ook nog andere voordelen. Je kunt kostbare tijd winnen of voor nuttige afleiding zorgen door om opheldering te vragen, zegt een Rus die bij The Economist werkt. Door langzaam te praten kan een niet-Engelstalig iemand precies het juiste woord kiezen – iets wat er vaak bij inschiet wanneer mensen geëmotioneerd en opgewonden zijn. Er valt veel voor te zeggen om sneller te kunnen denken dan je kunt praten, in plaats van andersom. Intrigerend is ook dat er een zogeheten feedbackloop zou kunnen zijn, van spraak naar gedachten. Vernuftige wetenschappers hebben ontdekt dat het nemen van beslissingen soms beter gaat in een vreemde taal. Onderzoekers aan de University of Chicago lieten mensen een test doen met bepaalde strikvragen – eenvoudig ogende ‘goede’ antwoorden die fout bleken te zijn. Wie de test in een vreemde taal deed, trapte er minder snel in en koos vaker het goede antwoord.