Süddeutsche Zeitung   | München  

Nog altijd zijn er veel vragen over de migratiebewegingen van dieren. Door ze uit te rusten met geavanceerde zendertjes hoopt een Duitse wetenschapper ‘levende meetstations’ te creëren.

Toen rijksgraaf Von Bothmer in 1822 op zijn landgoed in de buurt van Lübeck een ooievaar schoot, was dat kennelijk al de tweede aanslag op het dier. In de hals van de ooievaar stak een 40 centimeter lange Afrikaanse pijl. Voor de wetenschap was de pechvogel een gelukje. Al eeuwenlang was de vraag wat ooievaars en andere trekvogels in de winter doen voer voor talloze mythen.

Sommige mensen dachten dat ze zich in de koudste tijd van het jaar ingroeven in de modder of dat ze in muizen veranderden. Volgens een van de theorieën vlogen de dieren zelfs naar de maan om daar te overwinteren. In de negentiende eeuw waren onderzoekers het er nagenoeg over eens dat de dieren de winter in Afrika doorbrachten. Maar de ooievaar met de pijl was het eerste tastbare bewijs daarvan.

‘Elk jaar raken we tien miljard kleine vogels kwijt. Maar waar? Dat weet niemand’