New York Review of Books  | New York

Cuba nam afscheid van een leider wiens tijd allang voorbij was. Maar juist nu was hij misschien wel goed van pas gekomen. ‘Fidel was beter uitgerust om een bullebak in jumboformaat als de Amerikaanse president elect van repliek te dienen dan zijn rationelere broer Raúl.’

Van een afstand was hij ontzagwekkend. Dat heroïsche profiel, die blik waarmee hij een menigte overzag, ze waren even onontkoombaar als de herinnering aan zijn overwinning op het corrupte regime dat met zijn bordelen en casino’s en zijn whites-only golfclubs en strandhotels geheel ten dienste stond van een in Miami gevestigde Amerikaanse maffia en het ergste soort Amerikanen.

Er was ook het vonkje opwinding dat zo’n uitdagend gebalde vuist, zo’n rebelse retoriek altijd ontsteekt in de jongeren en armen op de wereld. Politici in Washington die zichzelf beschouwden als een baken in een onwetende, hulpeloze of regelrecht moordzuchtige Rest van de Wereld, zagen hem als een clowneske gek, maar ondertussen was er wel een eiland op nog geen 150 kilometer van Key West dat weigerde naar de pijpen van Uncle Sam te dansen of de Verenigde Staten ook maar iets te zeggen te geven.

Dan waren er de tastbare successen die zelfs in de zwaarste jaren van honger en gebrek op het eiland overeind bleven: de veelgeprezen stelsels voor onderwijs en gezondheidszorg, het beëindigen van de feitelijke apartheid, de extra aandacht voor baby’s en kinderen zodat die even gezond opgroeiden als hun tegenvoeters in de rijkste landen, een vroege belangstelling voor milieubewuste stedelijke ontwikkeling, baanbrekend medisch onderzoek. De normen die hij stelde legden de lat hoog voor de primitieve en roofzuchtige heersende klassen op het halfrond en lieten de armen zien wat ze mochten verlangen.

Een jongen in Havana laat een duif los gedurende de negendaagse rouwperiode voor Castro. – © Getty