El Watan Week-end | Algiers

Omdat de Algerijnse overheid het laat afweten, zijn zeven dorpen in het noordelijke provincie Kabylië overgegaan tot zelfbestuur. De afgelopen jaren werden al tal van voorzieningen gerealiseerd, zoals stromend water en afvalrecycling. De volgende stap is een museum om toeristen te trekken.

‘De staat is afwezig in onze dorpen. Ze denken pas aan ons als ze de politie hiernaartoe sturen om ons de oproepen voor militaire dienst te bezorgen.’ Wie de moeite neemt om door dit deel van Kabylië te trekken, zal vast getroffen worden door de woeste schoonheid van de streek, maar niet alleen daardoor. Afgelopen mei werd in de provincie het project Ayla Tmurt [rijkdom en grondstoffen] gelanceerd: een regionaal plan om zeven dorpen gezamenlijk te ontwikkelen. Het idee is om solidair te zijn en elkaar zo veel mogelijk te helpen: alle voorzieningen worden onderling gedeeld, ook binnen de dorpen zelf.

Dat is hard nodig, want zowel ’s zomers als ’s winters hebben de bewoners van de dorpen veel te lijden. In de zomer is het stikheet in het gebied, terwijl de winters juist hard zijn. Het is bitterkoud en er valt vaak meer dan een meter sneeuw. De meeste van deze dorpen zijn moeilijk bereikbaar, niet alleen ’s winters. Maar de streekbewoners hebben wel wat anders om over te klagen dan de slechte wegen. ‘De meeste van onze dorpen zijn voor hun lokale ontwikkeling volledig op zichzelf aangewezen. We moeten zelf maar zien hoe we, met onze beperkte middelen, overleven in dit geïsoleerde, bergachtige gebied,’ vertelt een zestigjarige aan de rand van het dorp Iguersafène in de gemeente Idjer (een van de zeven gemeenten die bij het plan betrokken zijn). De dorpelingen hebben er hun eigen bestuur opgezet. Het dorpscomité, Tajmaât, zit overal bovenop en is verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van het dorp. Dit systeem van zelfbestuur functioneert goed; de bewoners hebben, met hulp van émigrés in Frankrijk, alle projecten zelf gefinancierd.

Brandschoon

Het dorp oogt brandschoon, je zult hier niet snel een peuk op straat aantreffen. Niet verwonderlijk trouwens: overal in het dorp staan borden om de voorbijganger eraan te helpen herinneren zich om zijn omgeving te bekommeren. Sinds 2012 betaalt elk huishouden een door het dorpscomité vastgestelde milieubelasting van 400 Algerijnse dinar [1000 dinar is 8,64 euro] per jaar. Ook wordt er goed op gelet dat iedereen zijn afval scheidt. Her en der op straat staan afvalcontainers in verschillende kleuren, elk voor een bepaald type afval.
Organisch afval, glas en plastic worden in een speciaal met dit doel ingerichte centrale verder verwerkt. Het plastic afval wordt verkocht aan een recyclingbedrijf, wat het comité weer wat extra inkomsten oplevert. Het organisch afval wordt op een centraal punt buiten het dorp samengeperst en als compost verzameld. Voor het vervoer ervan is een tractor aangeschaft; de jongeman die hem rijdt krijgt 25.000 dinar per maand.

‘We geven wel 8 miljoen dinar per jaar uit. Al deze projecten financieren we zelf. Elk gezin draagt zo’n 800 dinar per jaar bij en oud-dorpsbewoners in het buitenland maken 60 euro over,’ vertelt voormalig wiskundeleraar en fabrieksdirecteur Arezki Messaoudène, nu voorzitter van het dorpscomité van Iguersafène. In het dorp wonen momenteel 4500 mensen, wat het de grootste agglomeratie van de gemeente Idjer maakt. In de afgelopen jaren is er in Iguersafène een levendige artistieke cultuur in de openlucht ontstaan, vooral nadat het dorp in 2014 de twaalfde editie van het festival Raconte-Arts organiseerde.

‘Bij ons zijn zelfbestuur en zelfvoorzienendheid een cultuur geworden. Aangezien er geen hulp van de overheid komt, doen we het maar zelf. Maar dat is al heel lang zo, eigenlijk al sinds de onafhankelijkheid,’ vertelt de voorzitter. In 1957 wilden 65 dorpelingen zich met wapens en munitie bij het verzetsleger ALN aansluiten, en ze besloten daarom dienst te nemen in het koloniale leger. Zodra zij onder de wapenen waren, organiseerden ze een collectieve ontsnapping naar het hoofdkwartier van kolonel Amirouche. Als represaille maakte het Franse leger het hele dorp met de grond gelijk.

Na de onafhankelijkheid beschikte de staat nauwelijks over middelen, dus de dorpelingen moesten zelf voor de wederopbouw van hun dorp zorgen. In die tijd ontstond de eerste vrijwilligersdienst, en al snel kwam er een tweede om het dorp van vers bronwater te voorzien. ‘De gemeente hoefde alleen nog voor de waterzuivering te zorgen,’ vertelt de voorzitter. ‘In 2008 hebben we gevraagd of 145 nieuwe woningen op het elektriciteitsnet konden worden aangesloten, maar tot nu toe is dat niet gebeurd. We leven hier heel geïsoleerd in de bergen en kunnen niet wachten tot de staat ons komt helpen.’ In 1998 besloten de bewoners stromend water in hun woningen aan te leggen en installeerden ze hun eigen watermeters. Dit project werd uit eigen middelen gefinancierd en kostte in totaal 34 miljoen dinar. Maandelijks betalen de gezinnen niet meer dan honderd dinar per woning.

Alleen in de droge tijd tussen juni en december is het watergebruik gelimiteerd. ‘In die periode mag het gebruik niet boven de tachtig liter water per dag per persoon uitkomen. Gaat een huishouden daar overheen, dan moet het een boete van vijfhonderd dinar per kubieke meter betalen, oftewel een halve dinar per liter,’ vertelt de voorzitter van het dorpscomité. Voor het onderhoud van de waterleiding heeft het dorp voltijds een loodgieter in dienst genomen, die 25.000 dinar per maand verdient.