The Atlantic | Washington D.C.

Tristan Harris, voormalig productfilosoof bij Google, vindt dat Silicon Valley ons verslaafd maakt aan onze smartphones. Hij is vastbesloten daar een einde aan te maken.

Op een avond in San Francisco krijgt Tristan Harris, voormalig productfilosoof bij Google, een naamkaartje uitgereikt door een man in pyjama die zich Honey Bear noemt. Hij schrijft er zijn eigen schuilnaam voor die avond op: ‘Presence’. Harris doet mee aan Unplug SF, een ‘digitaal detox-experiment’ ter gelegenheid van de National Day of Unplugging. Je echte naam mag je hier niet gebruiken. Ook verboden: horloges, praten over je werk en zogenaamde WMD’s (de Engelse afkorting voor weapons of mass destruction, maar hier gebruikt voor wireless mobile devices). Dus levert Harris, een donkerblonde, slanke man van 32 met een keurig stoppelbaardje, zijn iPhone in – een apparaat dat hij zo verslavend vindt dat hij spreekt van de ‘fruitautomaat in mijn broekzak’.

Ik volg hem een grote ruimte in waar bijna vierhonderd mensen zitten te tekenen, te kleuren of te breien. Hier hangt de opgewekte sfeer van een zomerkamp, maar het maakt ook duidelijk dat het voor smartphonebezitters – die hun mobieltje volgens onderzoek zo’n honderdvijftig keer per dag raadplegen – kiezen of delen is: ofwel je ‘WMD’ laten aanstaan en continu worden verleid om naar het schermpje te loeren, of het apparaat even helemaal uitbannen. ‘Het zou geen kwestie van alles of niets moeten zijn,’ zegt Harris later. ‘Dat is een ontwerpfout.’

McDonald’s maakt ons verslaafd door een fysiek verlangen naar bepaalde smaken te bevredigen – Facebook, Instagram en Twitter doen het met wat psychologen “wisselende beloning” noemen