360 Magazine | Amsterdam

Voor het eerst verschijnen alle eenentwintig korte verhalen van Truman Capote (Breakfast at Tiffany’s, In Cold Blood) in het Nederlands. 360 publiceert alvast ‘Kerst in New Orleans’, een nooit eerder vertaalde parel, waarin de jonge hoofdpersoon zijn vader ontmoet.

voor Gloria Dunphy


Eerst een korte autobiografische proloog. Mijn uitzonderlijk intelligente moeder was het mooiste meisje van Alabama. Dat zei iedereen, en het was waar; en op haar zestiende trouwde ze met een achtentwintigjarige zakenman uit een gegoede familie in New Orleans. Het huwelijk duurde een jaar. Mijn moeder was te jong om moeder of echtgenote te zijn; te ambitieus ook: ze wilde studeren en een carrière opbouwen. Dus ging ze weg bij haar man; en wat ze met mij aan moest, ze vertrouwde me toe aan de zorg van haar grote familie in Alabama.

In de loop der jaren zag ik mijn ouders bijna niet, geen van beiden. Mijn vader had het druk in New Orleans en mijn moeder was, nadat ze was afgestudeerd, bezig succesvol te worden in New York. Wat mij betreft was dit geen onprettige situatie. Ik was gelukkig waar ik was. Ik had veel aardige familieleden, ooms en tantes en neven en nichten, met name één nicht, een bejaarde vrouw met wit haar die een beetje mank liep en Sook heette. Miss Sook Faulk. Ze was niet mijn enige vriendin, maar wel verreweg de beste.

Sook was degene die me over de kerstman vertelde, zijn lange baard, zijn rode pak, zijn rinkelende slee vol cadeautjes, en ik geloofde haar, net zoals ik geloofde dat alles de wil van God was, of van de Heer, zoals Sook Hem altijd noemde. Als ik mijn teen stootte, of van een paard viel, of een flinke vis in de beek ving – goed of slecht, kortom, het was allemaal omdat de Heer het wilde. En dat zei Sook ook toen ze het beangstigende nieuws uit New Orleans kreeg. Mijn vader wilde dat ik daarheen zou reizen om de kerst bij hem door te brengen.

Ik huilde. Ik wilde niet. Ik was dit afgelegen dorp in Alabama omringd door bossen en boerderijen en rivieren nog nooit uit geweest. Ik was nog nooit gaan slapen zonder dat Sook met haar vingers door mijn haar ging en me een nachtzoen gaf. Bovendien was ik bang voor vreemden, en mijn vader was een vreemde voor me. Ik had hem een aantal keren gezien, maar die herinnering was een waas; ik had geen idee wat hij voor iemand was. Maar, zoals Sook zei: ‘Het is de wil van de Heer. En wie weet, Buddy, misschien zie je wel sneeuw!’

Ik weet niet waarom ze dacht dat ik sneeuw zou zien in New Orleans, want in New Orleans is het nog warmer. Maakt niet uit. Ze wilde me gewoon aanmoedigen om de reis te maken