The Guardian | Londen

Twintig jaar lang kende Noord-Ierland politieke stabiliteit. Maar, zo constateerde The Guardian in de week dat premier Martin McGuinness opstapte en er nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven: het land wacht opnieuw een onzekere toekomst.

De kerk staat op een eenzame heuvel aan één kant van de vallei. Aan de overzijde van de beek, aan de kant van het stadje, is de heuveltop bebouwd met herenhuizen. Iedere zondag marcheert een kleine delegatie van steeds oudere mannen, uitgedost met de regalia van de Oranje Orde, de heuvel af, van de kerk naar de beek. Zij vragen aan de op de brug gestationeerde politieman toestemming om hun weg naar het stadje te vervolgen, maar de politieman weigert steevast, beleefd doch beslist. Ze reiken hem dan een protestbrief aan en marcheren vervolgens weer terug naar de kerk.

Soms kijken de mensen uit de nieuwbouwbuurten naar dit gratis vermaak, maar doorgaans nemen zij de moeite niet eens. In deze buurten wonen voornamelijk jonge gezinnen, die zich er nauwelijks van bewust zijn dat Drumcree Church ooit een van ‘s werelds grote brandhaarden was. De jaarlijkse mars vanuit het centrum van Portadown naar de kerk was een belangrijk symbool van de macht van de unionistische meerderheid in Noord-Ierland. De kerk, indrukwekkend maar niet mooi, is uiteraard protestants; de huizen in het stadje zijn in overgrote meerderheid van katholieken.

De jaarlijkse mars in juli vindt nog steeds plaats, maar sinds het Goede Vrijdag-akkoord van 1998 mogen de organisatoren de traditionele route terug naar het stadje niet meer gebruiken. Ulster heeft nu twee decennia van wat buitenstaanders ‘vrede’ noemen achter de rug. De mondiale media strijken niet langer op Drumcree neer; de buren voelen geen angst. Maar dit duidt louter op de afwezigheid van conflicten, wat niet hetzelfde is als vrede. ‘Een wapenstilstand?’ zeg ik tegen Richard English, hoogleraar politicologie aan de Queen’s Unversiteit, Belfast. ‘Een verbeten wapenstilstand,’ antwoordt hij.

Maar de aard van die wapenstilstand, en de verbetenheid ervan, verandert door het verstrijken van de tijd. De verhouding tussen protestanten en katholieken in Noord-Ierland is dramatisch veranderd: ooit was die 2:1, maar bij de volkstelling van 2011 zei 48 procent protestant te zijn en 45 procent katholiek. Hierdoor is het vrijwel zeker dat – misschien al binnen vier jaar – het traditionele protestantse overwicht zal ophouden te bestaan. In het district Craigavon, waartoe Portadown behoort, is nu een patstelling bereikt: 42,1 procent voor beide kampen. Dit betekent niet dat een verenigd Ierland voor de deur staat, maar het verandert de dynamiek van de politiek in Ulster volkomen.

Dit vormt de onvermijdelijke achtergrond van het groezelige schandaaltje – ‘cash for ash’ genoemd – dat ogenschijnlijk verantwoordelijk was voor de recente val van de Noord-Ierse regering. De combinatie van onbekwaamheid en corruptie duidt erop dat de regeringen in Belfast en Dublin reeds gelijke tred met elkaar houden: de Ierse Republiek is voor de elite altijd al een goede plek geweest om zich met sjofele deals in te laten; in dit geval ging het om het boeken van aardige winsten dankzij het misbruik van goedbedoelde milieusubsidies.

‘Alles goed’

Er is nog een andere factor die een bedreiging vormt voor de heerschappij van de protestanten. Dit werd mij al na een paar minuten duidelijk, toen ik voor het eerst in negen jaar door de hoofdstraat van Portadown liep. Het ongelukkige huwelijk waardoor Noord-Ierland wordt gedefinieerd bestaat niet langer uit twee partijen: er is tegenwoordig ook nog een derde. De ooit overwegend blanke straten van Portadown wemelen van de immigranten. Een plek waar het probleem was dat iedereen veel te veel wist van de plaatselijke geschiedenis kent nu een bevolkingsgroep (met een aandeel van bijna 10 procent) die hier niets van afweet. Aan de oever van de rivier de Bann staat een jonge Roemeen te vissen. Hij heeft het woord ‘Troubles’ [waarmee de onrust in Noord-Ierland van oudsher wordt aangeduid] nog nooit gehoord.

Ze komen overal vandaan, en ze laten zich niet makkelijk categoriseren. Er zijn hoogopgeleide migranten die voor de farmaceutische firma Almac werken. Anderen werken bij de kippenslachterij van Moy Park. In het ziekenhuis vind je Zuid-Afrikanen en Filippijnen. De halal supermarkt van Portadown verkoopt voedsel dat varieert van Marokkaans tot Indonesisch; Oost-Europese goederen worden aan de specialisten overgelaten. De buurman, Saturnino Neves, een Braziliaanse kapper, knipt het haar van iedereen. ‘Alles goed in Ierland,’ zegt hij.