Le Monde | Parijs

Hij drinkt twaalf blikjes Red Bull per dag, rookt als een ketter, en heeft zich door zijn dappere optreden in de strijd tegen IS een heldenstatus verworven in eigen land. Maak kennis met de Iraakse majoor Salam Jassem Hoessein.

Een bomauto explodeert tegen de tank die voorop rijdt in de geblindeerde colonne van de eerste divisie van de Iraqi Special Operations Forces (ISOF-1). Majoor Salam Jassem Hoessein, wiens zwarte Humvee geparkeerd staat tussen de begraafplaats bij de Al-Karamamoskee en de grote antenne van het radio- en televisiestation Al-Mawsil, is voor het vallen van de avond de jihadisten komen jennen bij de oostelijke toegangsweg tot Mosoel.

De schade is miniem. De ogen van de bataljonscommandant fonkelen en onder zijn dunne snor breekt een glimlachje door, half olijk, half zegevierend. Hij is trots op het offensief dat zojuist is afgerond op deze eerste november in de wijk Gogjali. Hij is de eerste die voet zet in het Iraakse domein van de jihadisten. Toch lijkt hij minder opgetogen over deze krachttoer dan over het succes van zijn tactiek. In plaats van frontaal aan te vallen heeft hij de wijk stukje bij beetje omsingeld en her en der een inval gedaan om de jihadisten in de war te brengen. Hoewel de bevelhebbers klaagden over de traagheid van het offensief, heeft hij tegen zijn mannen gezegd: ‘We hebben geen haast, ik wil geen verliezen.’ Uiteindelijk is hij de tweede divisie te snel af geweest en hier als eerste gearriveerd, waarmee hij het respect van zijn superieuren heeft afgedwongen.

‘Hij is een beetje een dolle hond: hij luistert niet en dendert maar door, maar dat is ook het beste. We waren met 285 mannen zoals hij. Wij zijn ouder geworden, wijzer. Hij niet!’