NEw York Magazine | New York
Misschien al binnen één generatie zullen de meeste Amerikanen een zelfbesturend voertuig bezitten. Maar hoe moet dat in een land waar autorijden een essentieel onderdeel is van de cultuur?

‘Als ik deze hele eeuw in één beeld zou moeten samenvatten’, schreef romanschrijver 
J.G. Ballard in 1971, ‘dan zou ik een bekend alledaags beeld nemen: een man in een auto die 
over een snelweg naar een of andere onbekende bestemming rijdt. Bijna elk aspect van het moderne leven, goed of slecht, is daarin gevat: snelheid, drama en agressie, de wereld van de reclame en consumptiegoederen, techniek en massaproductie, en de gemeenschappelijke ervaring van het gezamenlijk door een uitgebreid bewegwijzerd landschap reizen.’ Met andere woorden: het leven is een snelweg. En die snelweg was volgens Ballard een bloedige maar prachtige chaos.

Ballard was destijds nog een relatief obscure auteur van sciencefictionromans over een toekomst vol 
heftige ecologische crises (droogte, overstromingen, orkanen) en krankzinnige geweldsuitbarstingen. Maar rond 1970 raakte hij vooral gefascineerd door de ouderwetse techniek van de automobiel. Auto’s hadden voor hem een sterke, mythische aantrekkingskracht. Hij was opgegroeid in Shanghai, waar hij in de watten werd gelegd en elke dag door een chauffeur naar school werd gebracht in een grote, Amerikaanse Packard. Totdat de Japanners tijdens 
de Tweede Wereldoorlog Shanghai binnenvielen en de auto in beslag namen, waardoor de familie zich voortaan per fiets moest verplaatsen. Ballard was toen elf jaar. Een paar jaar later werd zijn wereld 
nog kleiner: hij werd geïnterneerd in een Japans 
concentratiekamp. Toen hij twee jaar later uit dat kamp kwam, had hij een diepgewortelde afkeer van prikkeldraad en een grote voorliefde voor kolossale Amerikaanse auto’s.

De auto stelde Ballard voor een verwarrende paradox. Hoe kon zo’n erotisch object dat tegelijk zo gespierd en wulps was, zo maagdelijk en ‘snel’, toch een van de dodelijkste uitvindingen uit de geschiedenis 
zijn? Was de populariteit simpelweg te danken aan de optimistische overtuiging en het blinde vertrouwen dat een ongeluk alleen anderen zou overkomen? Ballard dacht van niet. Hij vermoedde dat autobestuurders in zekere zin opgewonden raken van het gevaar, en misschien zelfs het verlangen koesteren om bij een spectaculair ongeluk betrokken te raken. Een paar jaar later zou dat idee zich als een reuzenaronskelk (bijgenaamd de ‘lijkbloem’) ontvouwen 
tot Crash, zijn controversiële roman over een groep mensen die autowrakken en verminkte lijken als fetisj hebben.

Hoe moet het met de afgezaagde countrysongs waarin autorijden een metafoor is voor het leven?