Univision | New York

In een Extended Stay-hotel in Miami vertelt een Cubaans echtpaar over hun odyssee van tien maanden door vier landen, op weg naar een nieuw leven in de Verenigde Staten.

De tranen stromen Regla Monte Rey (43) over de wangen, als ze terugdenkt aan de hachelijke tocht over de nachtelijke zee die zij en haar man met hun twee tienerzoons afgelopen zomer maakten naar een onbewoond eiland voor de kust van Puerto Rico. ‘Ik bad de hele tijd tot God, om ons te helpen, en ook tot alle orisha’s [Afro-Cubaanse religieuze geesten] die er maar zijn.’

Als wij Monte Rey, haar man German Correoso (59) en hun zoons Kevin (15) en Kendry (14) tegenkomen, zijn ze net aangekomen in Miami. Vandaar volgen we ze verder, tot ze zich uiteindelijk zullen vestigen in Lancaster, Pennsylvania. Hun verhaal is het verhaal van tienduizenden Cubaanse gezinnen die elk jaar van het communistisch bestuurde eiland vertrekken, om gebruik te maken van een zeer gulle immigratieregeling voor Cubanen in de Verenigde Staten op grond van de Cuban Adjustment Act uit 1966.

Er klinkt steeds meer kritiek op die wet, ook uit de hoek van Cubaanse ballingen die al veel langer in Miami wonen. Volgens hen maken economische migranten van het eiland er misbruik van. De afgelopen maanden is het aantal Cubanen dat naar de VS komt om een verblijfsvergunning aan te vragen explosief gestegen: mensen zijn bang dat die wet door de regering-Trump zal worden afgeschaft.

Volgens cijfers van de Amerikaanse douane hebben zich vorig jaar zo’n 54.000 Cubanen als migrant bij Amerikaanse grensposten gemeld. Dat is twee keer zoveel als in het jaar daarvoor. Daarnaast komen er jaarlijks nog zo’n 30.000 Cubanen via de officiële kanalen naar de VS, met een door de ambassade verstrekt visum voor gezinshereniging, via politiek asiel of dankzij het wereldwijde programma waarin visa worden verloot. In Cuba zelf veroorzaakt de wet ondertussen verscheurde families en een leegloop aan Cubaans talent, van artsen tot honkballers.

‘Ik mis mijn dochter en mijn kleinkinderen zo,’ zegt Monte Reys moeder, Caridad Guerrero (61), die tegenover het vroegere huis van Correoso en Monte Rey woont in Vieja Linda, een arbeiderswijk met straten vol gaten aan de zuidelijke rand van Havana. ‘Hun vertrek heeft mijn leven verwoest. Ik zou ze daar heel graag willen opzoeken, maar niet om er ook te gaan wonen. Ik ben gelukkig hier in Cuba.’

Verkeerde kant

Toen Correoso, Monte Rey en hun twee zoons in september vorig jaar Cuba verlieten en op weg gingen naar de Verenigde Staten, hadden ze geen vastomlijnd reisplan. De twee voormalige leerkrachten hadden het geld voor de reis bij elkaar gebracht met de verkoop van al hun bezittingen, waaronder hun huis en hun auto. Gewapend met hun paspoort, wat contant geld en een koppige vasthoudendheid, begonnen ze aan de eerste etappe van hun reis: per vliegtuig over de Caribische Zee – maar wel de verkeerde kant op. In plaats van naar het noorden te vliegen, naar Miami, dat nauwelijks 300 kilometer van Havana ligt, gingen ze 3000 kilometer naar het zuiden, naar Guyana, een tropisch landje aan de noordkust van Zuid-Amerika. Dat is een van de drie landen waarvoor Cubanen geen visum nodig hebben (de andere twee zijn Trinidad en Rusland). Meteen na aankomst in de hoofdstad Georgetown stapten ze in een bus voor een rit van veertien uur door de jungle, naar de grens met Brazilië, een kleine 400 kilometer verder naar het zuiden. Eenmaal over de grens namen ze een taxi naar de stad Boa Vista en vandaar weer een vliegtuig, nu naar de hoofdstad Brasilia.

Veel andere Cubanen ondernemen daarvandaan de gevaarlijke reis over de Amazone naar Colombia en dan door het ondoordringbare Darién-oerwoud naar Panama, maar Correoso en Monte Rey gingen liever op zoek naar andere mogelijkheden.

‘In Centraal-Amerika wemelde het van de Cubanen die hetzelfde wilden als wij,’ vertelt Correoso. ‘Maar dat werd steeds moeilijker toen eerst Nicaragua en daarna Costa Rica en Panama hun grenzen voor Cubanen sloten.’

Het gezin bemachtigde een tijdelijke werkvergunning in Brazilië. De ouders werkten als bordenwasser in restaurants, de twee jongens gingen naar school. Maar in Brazilië blijven was voor hen geen optie. ‘We maakten ons grote zorgen over de veiligheid daar. Die was heel anders dan we in Cuba gewend waren,’ vertelt Monte Rey. In de negen maanden die volgden probeerden ze de volgende etappe van hun reis te regelen en uiteindelijk kozen ze voor een andere populaire smokkelaarsroute. Met hulp van vrienden en familie in de Verenigde Staten kochten ze in juli vliegtickets naar de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince. Daarvandaan namen ze een klein vliegtuig naar de tweede stad van Haïti, Cap-Haïtien, aan de noordkust, waar ze smokkelaars troffen die hen ’s nachts te voet de grens met de Dominicaanse Republiek over brachten.