Reportagen   | Bern

Op het wereldkampioenschap scrabble in het Grand Palais in Lille strijden Engelsen, Nigerianen en Israëliërs om de titel. Stuk voor stuk briljante rekenaars, gezegend met een reusachtig vocabulaire. Toch draait het eigenlijk maar om één man: Nigel Richards, de god van het spel.

De plek waar vele duizenden woorden bedacht worden – sterker nog: waar alleen woorden tellen – is tegelijkertijd misschien wel de zwijgzaamste van de stad. Door de hallen van het Grand Palais in Lille klinkt alleen het rammelen van de letters, die de spelers met een plechtig gezicht uit de groene zakjes pulken. Daarom klinkt het wereldkampioenschap scrabble niet als een evenement dat meer dan vierhonderd mensen uit dertig landen in een congrescentrum bijeengebracht heeft. Eerder als een bos vol tjirpende plastic krekels. Diep geconcentreerd zitten de tegenstanders aan lange rijen tafels tegenover elkaar. Verdiept in duels waarin ze maar al te snel een anagram over het hoofd zien, bonuspunten laten liggen, of de letters van de tegenstander verkeerd inschatten. De jarenlange dagelijkse trainingen, de uit het hoofd geleerde woordenboeken en niet in de laatste plaats de sociale ontberingen zouden vergeefs zijn geweest als U, Q, A, L, T, I, E niet snel genoeg ‘TEQUILA’ oplevert. En ook het prijzengeld van 7000 euro zou verspeeld zijn. Omdat de meeste deelnemers welgestelde academici zijn, zou dit nog de overkomelijkste narigheid zijn. Maar de roem en erkenning in deze kleine maar tegelijkertijd wereldwijde, op het maniakale af hartstochtelijke gemeenschap, zouden onherroepelijk buiten bereik blijven.

Wie gezien heeft hoe toegewijd al deze hyperintelligente mensen zitten te staren naar klompjes letters, een week lang, volkomen ongevoelig voor de uit alle macht lokkende Franse septemberzon, die vraagt zich niet af wat scrabble is, maar: wat is scrabble voor wie? Welnu, voor het grootste deel van de ongeveer honderd miljoen huishoudens die het bordspel intussen bezitten, is het een aardig puzzelspel voor af en toe. Een familiespel waarbij het erom gaat uit zeven willekeurig getrokken letters zo lang mogelijke woorden te maken en deze horizontaal of verticaal aan elkaar te leggen.

Sport

Voor de Amerikaanse architect Alfred Mosher Butts, die in 1931 de oervorm van scrabble (toen nog Lexiko geheten) op de markt bracht, was zijn uitvinding decennialang allesbehalve een commercieel succes. Butts, geïnspireerd door kruiswoordraadsels, wilde een spel maken dat alleen gewonnen kon worden door iemand die er niet alleen goed in is, maar ook geluk heeft.

De ondernemer in geluk en vaardigheid raakte ál zijn tweehonderd zelfgemaakte spellen kwijt. En in 1948 ook de rechten op zijn idee, die de Britse advocaat James Brunot voor een heel schappelijke prijs van hem kocht. Butts behield een aandeel van 2,5 cent per verkocht exemplaar. Of Brunot nu commercieel bedrevener was of gewoon meer geluk had: algauw was Lexiko, dat hij omdoopte tot Scrabble, zijn ticket naar rijkdom. In slechts drie jaar verkocht Brunot in totaal 90.000 exemplaren. Niet veel later volgden contracten voor de massaproductie in Noord-Amerika, Canada en Europa.

Voor de spelers in Lille is scrabble heel duidelijk een sport. Al sinds 1991 nemen de coryfeeën elk jaar in hun eigen landstaal deel aan het wereldkampioenschap scrabble. Onbetwist het belangrijkste is het Engelstalige toernooi, waaraan slechts de eerste 72 spelers op de wereldranglijst mogen deelnemen. Voor hen is scrabble een hartstochtelijk bedreven sport waar je veel voor moet laten, en waarin het niet om fonetische schöngeisterei gaat, maar om mathematische berekening. Want een woord is maar zo goed als de positie waarin het ligt. In wezen opent elke zet nieuwe aanlegmogelijkheden voor de tegenspeler, ook dat moet berekend worden. Waarbij je tegelijkertijd moet taxeren welke waarden de komende letters van de tegenstander zullen hebben.

Behalve talent voor tellen en rekenen moet je ook een schier onmenselijke woordenkennis bezitten. Een normale sterveling heeft een vocabulaire van omstreeks vierduizend woorden. Een professionele scrabblespeler ongeveer het tienvoudige. (Er zijn 140.000 door het scrabblewoordenboek SOWPODS erkende [Engelse] woorden.)

In een professionele scrabblewedstrijd beschikken de spelers elk over in totaal 25 minuten speeltijd. Wie klaar is met zijn beurt, drukt op de klok. Zijn tijd staat stil en die van de tegenstander begint te tikken – net als bij schaken. Tijdoverschrijding wordt bestraft met puntenaftrek. Een scheidsrechter is er niet. Beide spelers zijn verplicht de eigen zetten en die van de tegenspeler op formulieren in te vullen. Bestaat er onenigheid over een woord, dan kan men het aanvechten. Dan lopen de partijen naar een computer, tikken het problematische woord in en laten de scrabblesoftware het oordeel vellen.

Na 24 voorronden gaan de acht best geplaatste spelers door naar de play-offs, waar ze met elkaar uitmaken wie er kampioen wordt. Voor deze acht uitverkorenen is scrabble geen speelveld voor woordacrobaten of slimme rekenaars. Voor hen is het het slagveld van de grote strategen: het leven zelf.