The Guardian | Londen

Jack Barsky groeide op in Oost-Duitsland en liet zijn moeder, broer, vrouw en zoon in de steek om te gaan spioneren voor de KGB. In Amerika stichtte hij een tweede gezin. Hij waande zich slimmer dan wie ook – tot alles in elkaar donderde.

Op een koude decemberochtend in 1988 neemt Jack Barsky net als anders de metro naar zijn werk op Madison Avenue in Manhattan, nadat hij in Queens zijn vrouw en dochtertje gedag heeft gezegd. Op het moment dat hij het Subway-station inloopt, registreert hij met een schok iets opmerkelijks: een klodder rode verf op een stalen balk. Barsky is al jaren en jaren gespitst op dit teken: het wil zeggen dat hij een ongekend ingrijpende beslissing moet nemen, en snel ook.

Barsky weet wat er staat te gebeuren. De rode verf is een waarschuwing dat hij in direct gevaar verkeert, dat hij als een speer geld en nooddocumenten moet ophalen op een vooraf afgesproken plek. Vervolgens zal hij de grens met Canada overgaan en contact opnemen met de Russische ambassade in Toronto. Hij zal het land uit worden gesmokkeld. Hij zal niet langer Jack Barsky zijn. De Amerikaanse identiteit die hij zich tien jaar eerder heeft aangemeten zal als sneeuw voor de zon verdwijnen en hij zal terugkeren naar zijn eerdere bestaan: dat van Albrecht Dittrich, een scheikundige en KGB-agent, een man met een vrouw en een zeven jaar oud zoontje, die geduldig op hem wachten in Oost-Duitsland.

Barsky denkt aan zijn Amerikaanse dochtertje, Chelsea: kan hij haar echt in de steek laten? Maar als hij dat niet doet, hoelang zal hij dan uit handen weten te blijven van zowel de KGB als de Amerikaanse contraspionagediensten?

Barsky geeft eerlijk toe dat ego en een romantisch beeld van het leven als spion een veel grotere rol speelden bij zijn beslissing dan ideologische overwegingen