360 Magazine | Amsterdam

De rumoerige entree van Donald Trump in het Witte Huis op 20 januari, en zijn vertrek over acht jaar (of over drie maanden), speelt zich af tegen de achtergrond van een betrekkelijk nieuw fenomeen: de ‘big data’, de gedigitaliseerde versie van Orwells Big Brother.

In onze numerieke samenleving is de eenling op administratief niveau gereduceerd tot een cijfercode, die afwijkt van of correspondeert met andere cijfercodes, waaruit machines met bijna de snelheid van het licht een heel individueel mensbeeld samenstellen, compleet met alle afwijkingen en voorkeuren, gewoonten, leefomstandigheden, burgerlijke staat, inkomen, opleidingen, competenties, gedragingen in verleden en heden, meningen, lidmaatschappen, abonnementen, familieverbanden – kortom, met alles wat het individu uniek maakt, en vooral ook met alles waarin dit individu afwijkt van dan wel overeenkomt met anderen.

Die big data verstrekken wij voor het overgrote deel zelf, misschien onbewust maar uit vrije wil, en in steeds overvloediger mate, voornamelijk, maar niet uitsluitend, via 
‘sociale’ media. Kijk om u heen, in de trein, in de wachtkamer bij de dokter, in het café, op het werk, kijk naar voorbijgangers, te voet, in de auto, op de fiets, iedereen kijkt vroeg of laat naar een oplichtend schermpje.

Politico-journalist Jack Shafer noemde de vernieuwde verhouding tussen politiek en 
journalistiek “het grootste cadeau sinds de uitvinding van 
het declaratieformulier”