Le Monde | Parijs

Wie had kunnen denken dat de democratische planeet zich op 15 maart 2017 zo druk zou maken om verkiezingen in een plat en welvarend landje met zeventien miljoen inwoners?

Heel Europa keek ademloos toe. Zelfs aan de andere kant van de Atlantische Oceaan was de nieuwsgierigheid gewekt: zou een overwinning van Geert Wilders, ‘de Nederlandse Trump’, de zegetocht van het populistische offensief bevestigen?

Dat was de inzet van de strijd in Nederland, in een wereldoorlog die, in meer of mindere mate, al twee jaar aan de gang is. Een oorlog van ideeën, idealen en ideologieën. Een oorlog over cultuur, over erfgoed, over een manier van leven. Een oorlog over de verwezenlijking van de democratie en de visie van de politiek. Voorlopig is deze oorlog nog lang niet gewonnen – of verloren. Hij woedt volop. In deze strijd hoef je niet naar een denkbeeldige Maginotlinie te zoeken: we weten wat die waard is. We bevinden ons in het stadium dat de militair theoreticus Clausewitz in zijn verhandeling Vom Kriege ‘de mist van de oorlog’ noemde. ‘Oorlog’, schreef hij, ‘is het koninkrijk van de onzekerheid.’ We bevinden ons in het stadium waarin de tegenstander bekend is, waarin de mogelijkheden om hem te bestrijden zich aftekenen, maar waarin de traditionele troepen, die aan het eind van hun Latijn zijn, op versterking wachten; de uitkomst van de strijd is nog onzeker.

In toom gehouden

Daaraan ontleent de strijd in Nederland zijn belang. In Polen en in de Verenigde Staten heeft de tegenstander gewonnen door middel van een soort verrassingsaanval: de partij die aan de macht was, en overtuigd van haar overwinning, heeft die niet zien aankomen. Ze was totaal gechoqueerd. In Oostenrijk had het verrassingseffect minder succes, al waren daar wel twee verkiezingsrondes voor nodig. Toen ze de strijd in Nederland aangingen, wisten de twee kampen min of meer wat hun te doen stond. Ze hadden goed naar de Brexitcampagne in het Verenigd Koninkrijk gekeken, en naar de Amerikaanse presidentscampagne, en daaruit lering getrokken.

Na de veldslag is het Nederlandse landschap sterk verdeeld: de populistische leider is ontegenzeglijk in toom gehouden, maar niet weggevaagd; hij heeft zelfs terrein gewonnen. Honend heeft hij zijn tegenstanders uitgedaagd ‘de geest weer in de fles te stoppen’. De winnaar, de centrum-rechtse premier Mark Rutte, heeft steken laten vallen tijdens het gevecht, vooral doordat hij dezelfde wapens gebruikte als zijn tegenstander: Rutte heeft het anti-immigratiesentiment soms net zo hard uitgebuit als Wilders, in plaats van het frontaal aan te vallen. En als hij het over de nederlaag van ‘slecht populisme’ heeft, impliceert hij dat er ook ‘goed populisme’ bestaat, het zijne.
In de rest van het democratische Nederlandse kamp zijn nieuwe en veelbelovende krachten verrezen op de ruïnes van de Partij van de Arbeid, die door conflicten werd verdeeld. GroenLinks en D66 hebben spectaculaire winst geboekt door zich fel tegen extreem-rechts te keren en vóór Europa en diversiteit te pleiten. Deze onderling sterk verschillende partijen zullen een coalitie moeten vormen om de dreiging van Wilders af te wenden.