Der Spiegel | Hamburg

Ahmed en Alin zijn tien en elf jaar oud als hun ouders omkomen in Aleppo. Ze vluchten naar Turkije en werken daar, van elkaar gescheiden, als schrootverzamelaar en naaister. Soms dromen ze van een koningin die Merkel heet.

Op een vroege ochtend deze zomer loopt de dertienjarige Alin, een meisje met vermoeide ogen, zingend door de nog donkere straten van de stad Mersin. Met klepperende sandalen wandelt ze in haar eentje door de fabriekswijk, langs vervallen gebouwen, langs honden die nog slapen en langs lantaarns zonder licht. Het liedje dat ze zingt gaat over twee kinderen die geen leven hadden, maar nadat het ergste leed geleden was toch werden gered.

Er waren eens twee kinderen, zo gaat het liedje, een jongen en een meisje, die alles waren kwijtgeraakt, hun ouders, hun huis, hun vaderland. Ze kwamen uit een oude stad, en toen in hun land een oorlog uitbrak, vluchtten ze naar een ver rijk. Om hun beschermers daar van dienst te zijn, werkten ze zo hard dat hun rug er krom van werd en hun handen onder het bloed zaten. Bijna waren ze gestorven. Maar op een dag, Allah is groot, werden ze rijkelijk beloond voor hun leed. God gaf ze hun land terug en schonk ze goud en geluk. Volgens het liedje dat van Raqqa tot Damascus op de scholen werd geleerd, waren ze nu koning en koningin van Syrië.

Alin zingt met een dun stemmetje. Dan slaat ze een steegje in, waar links en rechts uit de huizen steeds luider het ratelen van honderden machines klinkt. Alin vertraagt haar pas, het lawaai overstemt haar gezang. Ze stopt met zingen, gaat bukkend een lage deur door, loopt langzaam een trap af, vijftien treden, en staat in een vochtige, raamloze kelder.

Er hangt een geur van zweet. Neonlicht straalt vanaf het plafond en valt fel op een twintigtal fijnbesneden gezichten. Negentien meisjes en vijf jongens zijn hier verzameld, allemaal nog kinderen. Enkelen steunen op krukken, drie van hen hebben maar één been. Als soldaten staan ze in een rij naast elkaar. Een man roept hun namen af, schreeuwt in het Arabisch ‘Jalla, jalla!’, ‘Opschieten, opschieten!’, en dan gaan de kinderen aan het werk. Alin gaat op een plastic stoeltje aan een van de tegen elkaar geschoven houten tafels zitten. Ze plant een kussen in haar rug, zet haar linkervoet op een pedaal en vist in een stapel kleding. Ze pakt een T-shirt, zwart van kleur, legt het op de naaimachine en begint te naaien, één zoom, twee, drie, vier. Vanavond, wanneer het boven in de straten van deze Turkse stad aan de Middellandse Zee weer donker wordt, zullen het er duizend zijn.

Later die dag, na een paar honderd zomen, zal ze kramp krijgen, in haar nek, in haar zitvlak, in haar schouders. Maar ze zal niets zeggen, geen woord. Ze zal doen wat ze moet doen. Na elf of twaalf uur werken zal ze alleen steels op een kleine wandklok kijken en aan haar broer Ahmed denken, voor wie op dat moment bij een sloperij in Gaziantep, 300 kilometer ten oosten van Mersin, de nachtdienst begint.

Ze kunnen elkaar niet ontmoeten en niet met elkaar praten. Maar Alin zal zich verbeelden hoe Ahmed, een halve kop kleiner dan zij, over bergen afval klautert, een jongen van twaalf in met olie besmeurde kleren, met dunne armen en brede handen. Alin zal zich voorstellen hoe die handen loodzware dingen tillen, autobanden en motoronderdelen, hoe haar broer Ahmed die stuk voor stuk verzamelt en op een kar achter zich aan trekt, gebogen, hongerig, kilometers door de stad, tot zijn lijf er zeer van doet.

En wanneer Alin na veertien uur achter de naaimachine de kelder weer uitloopt, ligt er geen liedje meer op haar lippen, alleen nog maar gebeden. Dan vouwt ze haar handen, sluit haar ogen en smeekt of er iemand kan komen om hen te redden, net als bij de twee kinderen uit haar liedje. Zij en haar broer, zoon en dochter van gedode ouders, gevlucht uit Aleppo, gevangen in het zuiden van Turkije.

De dag dat de oorlog kwam

Het verhaal van Ahmed en Alin is dat van twee kinderen, een jongen en een meisje, die gevlucht zijn voor de bommen in Syrië en nu als zwartwerkers in Anatolië overleven, die dromen van een koningin genaamd Merkel en van het verre eiland Europa, maar er geen weg naartoe kunnen vinden omdat er voor gevluchte kinderen – anderhalf miljoen zijn het er – geen weg uit Turkije meer is.

Ze vertellen hun verhaal gescheiden van elkaar, op verschillende momenten, op verschillende plaatsen. In een ondergrondse kledingfabriek in Mersin. Op de vuilnisbelten en schroothopen van Gaziantep. In eenvoudige woorden, nu eens luidkeels en dan weer zachtjes, soms bevend en soms stilletjes, zo levendig en oprecht als alleen kinderen kunnen vertellen.

De dag dat de oorlog kwam was een zomerdag, twee jaar geleden. Ahmed en Alin, de kinderen van een wasserij-eigenaar in Aleppo, waren tien en elf jaar oud. Een jongen met flaporen, die gek was op drop en liever ging fietsen of voetballen dan bidden. Een meisje dat graag haar huiswerk deed, dat op school heel goede cijfers haalde en leerde koken van haar moeder, die in een bakkerij werkte.

Ze zaten net aan het avondeten, moeder Adeeba had couscous met dadels klaargemaakt. Vader Mohammed zat over zijn werk te vertellen. Een Syrisch gezin, samen aan tafel, wanneer als uit het niets een explosie hen alle vier van hun stoel rukt. De bom, neergekomen op de woning ernaast, vernielde drie muren, legde hun woonkamer in puin. De kinderen gilden, vader riep om hulp. Alleen moeder, begraven onder stenen, was stil. ‘Ze lag daar maar,’ zegt Ahmed, ze ademde niet meer. En toen rook en stof langzaam optrokken zagen ze dat er bloed over haar voorhoofd liep. Het leek wel, aldus Alin, ‘rood water in een rivier’.

Een tante waste het lichaam. Ahmed en zijn vader begroeven moeder op de laatst overgebleven begraafplaats van Aleppo, niet ver van hun verwoeste woning.

Ze gingen bij een oom wonen. Mohammed, de vader, raakte kort na zijn vrouw ook zijn bedrijf kwijt. Bom na bom viel op hun wijk, maar hij wilde Aleppo niet verlaten. Alin en Ahmed zeggen dat hij Assad vervloekte, en ook de soldaten van de dictator die de halve stad omsingelden. De kinderen mochten het huis niet uit, weken-, maandenlang. Overdag zagen ze rook opstijgen boven de huizen van hun vriendjes en vriendinnetjes. ’s Nachts gingen ze bij hun vader in bed liggen, klampten zich aan hem vast bij elke klap die de muren deed trillen.

Op een warme ochtend een jaar geleden, vertellen beiden, ging hun vader de deur uit en kwam niet meer terug. Hij had eten willen halen, pide [Turks brood], meel en een jerrycan water. De laatste winkel in hun wijk bevond zich maar vier straten verderop, maar overal op de daken, zo hadden de buren later verteld, loerden scherpschutters. Volgens sommigen had een soldaat van het regime vader van achteren door het hoofd geschoten. Anderen waren ervan overtuigd dat het strijders van Islamitische Staat waren geweest. Alin en Ahmed zeggen dat ze hun vader niet meer te zien hebben gekregen.

Nog altijd kunnen ze er nauwelijks over praten. Doen ze het toch, dan worden hun zachte trekken star en beginnen hun ogen te dwalen. Over hun laatste dagen en weken in Aleppo weten ze niet veel meer. Alleen nog dat ze op een gegeven moment, misschien pas maanden later, de stad hebben verlaten. ‘Onze oom zei dat we weg moesten,’ zegt Ahmed. ‘Hij is gebleven,’ zegt Alin, ‘maar wij moesten vertrekken.’