Internazionale | Rome

Dat paradijselijke eilandenrijk de Malediven is verre van paradijselijk voor de lokale bevolking. Sterker nog. Ze noemen het een hel. ‘Male’ telt het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking. De doodstraf is heringevoerd, de sharia geformaliseerd en voor het stelen van een mango staat een lange celstraf.

‘Het zijn goede vechters, hè?’ zegt de taxichauffeur trots als ik hem vertel dat ik uit het Midden-Oosten kom en journalist ben. Praat in Parijs, in Brussel, in Tunis met moslims over de jihadisten van IS en ze zeggen allemaal beschaamd, bijna verontschuldigend: Ze zijn knettergek. Op de Malediven zeggen ze: Het zijn helden.

Veel westerse toeristen beseffen niet eens dat het een islamitisch land is. De Malediven zijn evenwel het niet-Arabische land met het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking. Circa tweehonderd, op vierhonderdduizend inwoners. De regering ontkent het. Maar iedereen heeft wel een broer of een neef in Syrië. Toen de hele wereld in augustus naar de Olympische Spelen keek, keken ze hier allemaal naar de strijd om Aleppo. En moedigden ze Al-Qaida aan.

In theorie zijn de Malediven een archipel van 1192 eilanden. Maar voor de Malediviërs is er maar één eiland: Male. De hoofdstad. Op de eilanden hebben ze maar een paar winkels, en een school. Een voetbalveldje. Soms is er niet eens elektriciteit. Voor alles moet je naar Male. Male lijkt een stad als duizenden andere, maar beslaat slechts 5,8 vierkante kilometer en heeft officieel honderddertigduizend inwoners, al wonen er in werkelijkheid twee keer zo veel: in Male is ieder hoekje en gaatje bewoond.

In een van de hoofdstraten, de Buruzu Magu, sla ik een heel smal steegje in dat uitzicht biedt op een stukje ansichtkaart: een blauw, een groen en een geel huis. Aan het einde een wenteltrap. Achter de eerste deur rechts wonen ze met zijn vijven, achter de eerste links met zijn negenen, en achter de tweede zijn ze allemaal immigrant, ze komen uit Bangladesh, wonen met zijn achttienen in één kamer en slapen bij toerbeurt. In het huis daarna staat achter een deur een tafel van halfverrot multiplex, moeder en dochter zitten in het donker te kletsen en naast hen, op een versleten mat, zit een eveneens versleten oude vrouw te reutelen, haar dorre grijze haar uitstaand als de draden van een doorgebrande gloeilamp. Ze wonen er met zijn zestienen, te midden van vodden en schoenen met gaten, met jute en stukken golfplaat opgelapte muren, de stank van lichamen. De keuken is een butagasstel. In de kamers staan geen tafels of stoelen, er is helemaal niets, ook geen ramen, alles ligt door elkaar op de grond, de was hangt aan het plafond te drogen. Aan de muur hangt een plasmatelevisie, gekregen bij de laatste verkiezingen, in ruil voor een stem. Maar een gemiddeld inkomen hier is 8000 rufiyaa, 470 euro: net genoeg voor een elektriciteitsrekening. De huur voor drie kamers is 20.000 rufiyaa.

Kinaan is in zo’n huis opgegroeid. Met z’n zessen in één kamer, ouders die voortdurend ruziemaakten. De zee was hun douche. Nu is hij eenendertig, en de bekendste en meest gevreesde misdadiger van Male. Als je met hem op pad bent, maakt iedereen ruim baan. Male is verdeeld tussen een dertigtal gangs, elke heeft tussen de vijftig en de vijfhonderd leden. We hebben het hier over een tiende van de bevolking, in de hoogste schatting: een vijfde van alle jongeren. In de eerste en laatste studie over straatgeweld, uit 2009, zei 43 procent van de ondervraagden dat ze zich zelfs in hun eigen huis niet veilig voelden. Kinaan is op zijn vijftiende voor het eerst in de gevangenis beland, omdat hij had gevochten. Hij is sinds zijn zeventiende verslaafd aan heroïne en alcohol. En hij verkoopt nog steeds drugs om te overleven. ‘Want niemand biedt je hier een tweede kans,’ zegt hij. ‘Ik ben bereid elk soort werk te doen, maar niemand heeft me ooit willen aannemen. Zelfs niet als losser in de haven. Vroeg of laat worden we allemaal gearresteerd, allemaal vanwege drugs, want als je met z’n tienen in een kamer woont, leef je in feite op straat. Male is een hel, je hebt er geen toekomst, niks, en alcohol is verboden: heroïne kost veel minder dan wodka. En onzinnig genoeg zijn de straffen erg streng. Als je een mango steelt, riskeer je een jaar gevangenisstraf en ben je voor het leven getekend. Maar tegelijkertijd is er sprake van totale tolerantie: we worden namelijk ingehuurd door politici. Tegen vaste tarieven, twaalfhonderd dollar voor het ingooien van een etalage, zestienhonderd voor het molesteren van een journalist. De opdrachten variëren van flyeren tot iemand overhoopsteken. Dus als ze willen, als je van nut bent, halen ze je uit de gevangenis.’ Kinaan is twee keer veroordeeld, maar heeft zijn straf nooit uitgezeten. Net zomin als zijn vriend Dhonko. ‘En wat doe jij dan voor werk?’ vraag ik hem. Hij lacht. ‘Ik zit vijfentwintig jaar gevangenisstraf uit.’

Kinaan probeert al tien jaar lang zijn leven te veranderen. En dus heeft hij besloten om nu op eigen houtje een tweede kans te creëren: hij heeft besloten naar Syrië te gaan. ‘Het is niet moeilijk. Niemand houdt je tegen. Ze hebben er allemaal belang bij zich van ons te ontdoen: we hebben al hun misdrijven gepleegd, we kennen al hun geheimen. En we willen hier allemaal weg. Alles is beter dan Male.’

Bewoners van Villingili, 2009. – © Tommaso Bonaventura / Contrasto